Vader neukt vriendin van zoon free meiden van holland

vader neukt vriendin van zoon free meiden van holland

Uiteraard sluit het een het ander niet uit, maar wellicht vind je de laatste eerder op plekken waar mensen meer open staan voor diepere connecties; zoals bij cursussen gericht op persoonlijke groei of yogalessen. Want net als bij daten kan het voorkomen dat je na twee keer te hebben afgesproken gewoon toch niet klikt samen.

Of dat je een grap vertelt die helemaal verkeerd begrepen wordt. Laat het los als het niet werkt, of steek er toch nog wat moeite in als je dat graag wilt. Maar geef het niet teveel gewicht.

Sommige dingen werken, andere niet. Inmiddels heb je dat vast al vaker meegemaakt. Het is niet het einde van je sociale leven.

Je bent nu op een punt in je leven dat je waarschijnlijk al vaker hebt meegemaakt dat dingen toch wel loslopen. Het komt dus goed, je kunt rustig aan doen. Je hoeft je niet anders voor te doen dan je bent om leuke mensen tegen te komen. En dat geldt zeker als je op zoek bent naar een vriendschap die beklijft.

Ook als je niet graag onbekende mensen aanspreekt kun je op allerlei plekken nieuwe toekomstige vriendinnen ontmoeten. Een beetje geluk en chemie doen, net als in de liefde, wonderen.

Jezebel en Real Simple. Noraly King - www. Hoi, ik ben Noraly! Naast hier op vriendinnenonline schrijf ik ook op mijn eigen blog  www. Verder hou ik enorm van mooie vondsten en nog meer van mooie foto's. Ik smul, geniet met volle teugen en moeder maar wat aan. Welkom op het grootste vriendinnenplatform van Nederland. Je kunt hier op een gemakkelijke en vrijblijvende manier nieuwe vriendschappen sluiten en jouw vriendenkring vergroten. Inloggen Registreren Wachtwoord vergeten.

Dit is misschien een beetje confronterend. Maar ik zal eerst gaan. Wanneer heb je voor het laatst een echte nieuwe vriend of vriendin erbij gekregen?

Niet een lieve, goede kennis of een erg leuke collega. Maar iemand die je vannacht zou durven bellen als er iets is. Een beste vriend of vriendin. Ik ben inmiddels de dertig al een tijdje geleden gepasseerd en bij mij is dat…. Lees meer over deze blogger. Reacties 52 Toon commentaar. Je bent nog niet ingelogd. Als hij in zijn auto rijdt en mij ziet fietsen, komt hij me achterop, draait zijn raampje open en roept iets als: Een keer, we reden in de Hondecoeterstraat ter hoogte van de ­inmiddels gesloten Melkhandel waar ze zulke lekkere broodjes verkochten, dreigde het lelijk uit de hand te lopen.

Mensen in de winkel kozen partij voor mij en voor de fiets tegen de auto en zijn bestuurder, waarna enkele stratenmakers zich solidair verklaarden. In de tram gaat het ook. Ik wist dat zij jou zwaaien ging. Op brug over het Amstelkanaal staat op iedere hoek een huisje met een pannendak. Als je de Schilderskade af komt in de richting van de Amstel, zie je dat het in eerste huisje True Beauty is gevestigd, een skin care center.

In het huisje aan de overkant zit een meneer aan een grote tafel met een laptopje erop in zijn eentje Mise en place te wezen. Toen ik als jongen op de banen bij de Apollohal tenniste, zat hier een sportwinkeltje.

De man van het winkeltje bespande tennisrackets, met nylon en met kattendarm, en dat deed hij zo goed, dat je als je met een door hem bespannen racket speelde niet verliezen kon. Verder dan het vervangen van een of twee gesprongen snaren kwam ik niet.

Maar dat ze door hem waren vervangen, hielp al. Het mooie van Pizzeria San Marco en is dat je je pizza ook met de boot kunt afhalen. Of dat ook gebeurt, vroeg ik aan de Italiaan die in het keukentje voorbereidingen trof voor het dagelijkse pizza bakken, maar omdat hij de vraag niet begreep, kon hij geen antwoord geven.

Het glas nooit vol, maar ook niet leeg, en zonder al te veel te zeggen. Streepjes op een bierviltje hielden de score bij. Af en toe bracht de barkeeper de telefoon en zei: Het glas werd vaker bijgevuld dan het kannetje, zodat cola met jenever van cola met ­jenever langzaam veranderde in jenever met cola en van jenever met cola in jenever.

We rookten filtersigaretten en mijn vriend had zijn zonnebril opgehouden. Van tijd tot tijd namen we een biertje om het weg te spoelen.

Dat ­betekende dat hij iets gewonnen had met het paard waarop hij had ingezet in café Cramm op de Nieuwendijk. Maar straks was nog ver en naar Cramm kon altijd nog. Voorlopig zorgde de zon die voor de deur lag en aan de ruit hing nog voor zoveel licht dat van verkassen geen sprake kon zijn. De gelukbrengende ­halve centen, zoals ­verkocht door de postzegelwinkel bij mij om de hoek, kosten twee euro vijftig per stuk, maar voor een tientje koop je er geen vier, zoals ik schreef, maar vijf.

Plus dat geluk dus. Aan de wand, tussen de duizenden postzegelalbums, hing een foto van Parnassus in een vorig bestaan. Het oude postkantoor in de Gerard Terborgstraat, dacht ik, bijna goed, maar toch fout, want het was het voormalige hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds. Ik kwam er graag. Ik was dol op de rijen voor al die loketten, ­loketten voor brieven, loketten voor pakjes, voor postzegels en ­filatelie, voor aangetekende stukken, de postgiro en poste restante, en het leukst van allemaal, voor telegrammen.

Ik stuurde vaak voor de lol een telegram om het in gedachten te volgen op zijn avontuurlijke reis. Er stonden ook tafels waaraan je plaats kon nemen om een brief te schrijven of zomaar wat te zitten.

Het viel niet te ontkennen. Weer op straat raakte ik in gesprek met een jongetje met een masker dat hem als hij het opzette in Zorro veranderde. Toen ik het poortje naar de binnentuin binnenging, rende hij naar zijn moeder en riep: Ik wil niet opscheppen, maar mooi dat ik wel een van de weinige mensen ben die ­zowel Lubbert van Gortel als Drika hebben gekend. Dat komt doordat ik een op een personeelsfeestje ben geweest waar ze allebei optraden.

Het feestje vond plaats op de Bep Glasius, het vlaggenschip van Rederij Koppe die zijn schepen achter het Centraal Station had liggen en kantoor hield in het inmiddels verdwenen Storkhuisje. Op dat feestje kwamen ze de loopplank over als Henk Jansen van Galen en Annie Palmen, maar al tijdens het schutten in de Oranjesluizen hadden ze zich verkleed als Lubbert en Drika, dit wel zeggen als namaakboer en namaak vissersvrouw in verzonnen klederdracht.

Ik zei dat ik een groot fan was en altijd naar de Boertjes van Buuten keek, maar ik geloof dat ze mij niet erg geloofden.

Ik geloof dat ze zelfs dachten dat ze in de maling werden genomen, maar ik meende het. Maar als er een nieuwe eigenaar ten ­tonele verschijnt, heb je daar niets aan. Meedogenloos gaat de sloopkogel erin, weg schitterende glasgevel, weg uitbouwen en ornamenten, weg meesterwerk van Jan Kuijt de architect die ook de uitzinnige kerk van Halfweg op zijn naam heeft staan.

Niemand heeft zijn stem laten horen in een poging dit kwaad te voorkomen en nu is het te laat. Een eindje verderop op het ­Rokin is ook iets vreemds aan de hand. Kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae heeft zijn deuren opengegooid en laat middels grote schoolborden weten dat je er terecht kunt voor diner. Zitten ze plotseling in een club waar iedereen lid van is.

Is het dan nog wel een club, kan je je afvragen. Als ik langs Arti kom, kijk ik naar het stuk kademuur aan de andere kant van de straat, recht tegenover het kantoortje van rederij Kooij.

Uit de nevelen van het verleden doemt een meisje op, een jonge vrouw met donker haar en donkere ogen die haar voeten boven het water bungelen laat, terwijl ze een Dunhill blauw met filter rookt. Ik gids een laatste rondvaart door nacht en gracht en als we afgemeerd zijn en ik de fooi gedeeld heb met de kapitein en over het water naar de kade kijk, zwaait ze naar me met haar sigaret die ­oplicht in het duister. Vlak voor Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat staat een bord dat een wandelpad belooft.

Eenmaal op het pad zie je een ander bord dat zegt: Het pad, dat drie tegels smal is, gaat achter Te Vraag langs en langs de woonboten aan de Schinkel, waarvan de meeste zich als villa hebben vermomd, met riante terrassen voor de deur of op het dak. De ­inhoud was helaas teleurstellend. Vlak voorbij Poldergemaal Jaagpad 25 A kwam ik een man achterop die een gereedschapskist op zijn schouder droeg.

Om me te ­laten passeren, ging hij in de berm staan. Dat schip waar ik werk was bijna gezonken. Ik ben nu al drie maanden bezig. Eenmaal bij de sluis was het lawaai zo oorverdovend dat ik vreesde voor de geestelijk welvaren van de bewoners van de boten hier.

Ik zou binnen een dag rijp zijn voor opname. Vanuit de Vijzelstraat ga ik de Herengracht op om even langs het huis van de burgemeester te ­komen. Als de rondvaartboot langs het huis van de burgemeester voer, zeiden wij: Nu valt er niet veel te lachen als je het huis van de burgemeester passeert, alleen maar te hopen, en hem sterkte en het beste te wensen.

De brug over de Reguliersgracht die ik in zicht krijg, is een van de steilere klimmetjes van onze stad. Tot mijn schrik zie ik dat de brug vol staat met scholieren die poseren voor een groepsfoto. Ik weet hoeveel moeite het mij gaat kosten om boven te komen en welke commentaren dat gaat opleveren.

Op de top wuif ik en ze zwaaien terug, allemaal. In de afdaling naar de Amstel passeer ik zesenwtintig in identieke T-shirts gestoken bouwvakkers die naast elkaar hun boterhammen met theeworst zitten te ­besmeren.

Of was het pindakaas? Het schouwspel heeft me hongerig gemaakt. Er staan vijf bankjes, alle vijf zijn ze bezet.

Bij Quick, de lijstenmaker op de Ceintuurbaan waar ik een piepklein dingetje bracht om ingelijst te worden, vroeg ik aan Job die onlangs vader is geworden hoe het met de kleine stond, of hij de tafel van acht al kon opzeggen en naar welke middelbare school hij ging en meer van dat soort grootvader flauwiteiten. Dat niet nee, maar de baby was inmiddels anderhalf dus kon al wel van alles. Job grinnikte, en zei toen dat hij met een Griekse ­getrouwd was. Gerustgesteld ging ik de deur uit, richting Concertgebouw en vandaar door de Van Breestraat naar de Valeriusstraat.

De Valeriuskliniek is definitief verdwenen. Het enige wat nog aan het gebouwencomplex herinnert, is een kale zandvlakte met een hek er omheen. Maar in de straten van Zuid bloeien de rozen, rood en wit, geel en rose, theerozen, tuinrozen, klimrozen tot aan de daklijst of tot in de kruin van een uitgebloeide meidoorn. Toen ik wilde betalen, bleek de boel op slot te zitten, maar een bordje zei: Dat kwam pas toen ik uit een bak een ­Amsterdamsch stratenboekje kocht. Het is uit , toen het 20 cent kostte.

In de eerste plaats zijn er de straten die er nog niet waren. Ik was er nog niet in , maar de Esmoreitstraat waar ik geboren ben ook niet.

De hele Bos en Lommer moest nog gebouwd worden. De Rivierenlaan was er ook nog niet, maar de Rijnstraat weer wel, net als de Vechtstraat. Ook interessant zijn de verdwenen straten, die zich met name in de Jodenbuurt bevonden. De bewoners werden vermoord, hun huizen gesloopt en de straten van de plattegrond verwijderd, Joden Houttuinen, Zwanenburgerstraat, Lange Houtstraat, Moddermolensteeg, Lazarussteeg, Vlooienburg, alles verdwenen.

Net als de gangen. De eerste straat in het Amsterdamsch stratenboekje is de Aalsmeerdergang, bij de Lindengracht. Daarna spotte ik de Arke Noachsgang, de Baafjesgang en toen maar liefst zes Bakkersgangen. De hele stad bleek vergeven van de gangen, Hoedenmakers, Klokken, Koehouders, Kuipers, Rozenmarijn, Rozennobel, Schelvis, Schoenmakers, Schuitenvoerders, Slachters, Sleepers, gangen, gangen, het houdt niet op. De doodlopende steeg die ik aan het begin van dit Gelukje betrad, bevindt zich in de Hazenstraat, zo tussen Kunstverein en Galerie Stigter Van Doesburg.

Hij is anderhalve meter breed. De gang heeft geen naam, maar was vroeger, denk ik, een van de acht Gruttersgangen die de stad rijk was. Voor de draaideur van de Albert Heijn stond een man met vier bananendozen aan zijn voeten.

De bananendozen waren op ­elkaar gestapeld en reikten tot iets boven zijn knieën. De man keek een tijdje naar de dozen en liet zich toen door de knieën zakken in een poging de vier dozen in een keer op te tillen.

Toen dat niet lukte, splitste hij de stapel in tweeën en probeerde twee dozen onder ­iedere arm te nemen. Toen dat ook niet lukte, zette hij de vier ­dozen naast elkaar en probeerde ze zo op te tillen, wat niet lukte. Tenslotte stapelde hij ze weer op elkaar, tilde ze op en liep weg. Mij enigszins verbijsterd achter ­latend. Na een jaar in de diepvries werd de haring toch minder, maar ik had gelijk, het was niet meer zo als vroeger, toen haring aan het eind van het seizoen bruine vlekken kreeg en wel erg tranig smaakte.

Vandaag is de nieuwe haring er weer en zijn alle haringkarren in de stad voor een dag een klein ­cafeetje. Ik heb een vriend in Smilde. Als we elkaar spreken, spreken we elkaar in Amsterdam en dan zegt hij dingen als: Dat ik herken omdat ik een vorig leven een paar maanden in Zuid-Laren heb gewoond, vlakbij de Brink, boven de elektrawinkel van De Boer. Of woorden van gelijke strekking. Het was winter en de kraan van de wastafel op mijn kamer was permanent bevroren, een interessante ervaring.

Als ik van station Assen naar Zuid-Laren fietste en dat deed ik af en toe, kwam je langs de hunebedden, grote stenen die op stapeltjes in de hei ­lagen. Onze Man uit Smilde en ik spreken af bij Luxembourg of Kapitein Zeppos, waar we bij een broodje gezond ingewikkelde dingen bespreken. Deze keer zaten we in het café van het Stadsarchief. Aan het eind van onze bespreking gekomen, stelde ik voor de tram naar het Centraal te nemen. Maar daar voelde Onze Man uit Smilde niets voor.

Hij ging lekker op zijn gemak door de Kalverstraat, een beetje snuffelen. Ik was paf, zoals Hanny Michaelis het in haar dagboek noemt. Iemand die voor zijn plezier door de Kalverstraat ging lopen. Het kon niet waar zijn. Ik besloot toch eens in Smilde te gaan kijken. Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat is een van de wonderen van de stad.

De aula stond op instorten en de graven en de paden tussen de graven waren overwoekerd door onkruid. Maar mooi was het er. Ik herinner me dat in het conciërgehuisje bij de ingang nog ­oude kranten op tafel lagen, alsof de Cerberus die de toegang bewaakte nog maar net was vertrokken, terwijl de begraafplaats al sinds is gesloten.

De laatste keer dat ik Te Vraag aandeed, was in het begin van de jaren negentig, in het vroege voorjaar. De aula werd bewoond, de ­paden waren weer toegankelijk en de grafstenen zichtbaar. Er stonden bijenkorven in de perken, overal bloeiden sneeuwklokjes en de knoppen van de kastanjestruiken liepen roodbruin en kleverig uit.

Bijna dertig jaar later steek ik het bruggetje dat naar de toegang leidt weer over. In het congiërcehuisje staat een hoog tafeltje met de daarop een vaas met bloemen.

Op de trappen voor de aula staan rijen geraniums met een enkele blauwe lobelia ertussen. Bij de tuinvrouw die net op haar fiets stapt, informeer ik of ze de geraniums heeft overgehouden, maar nee, dat blijkt niet het geval. Tegenwoordig zijn ze allemaal opgekweekt. Er bloeien margrieten, egelantieren, boterbloemen, de buxushagen zijn geschoren. Een tikje keurig allemaal, maar het blijft een wonder, Huis Te Vraag. Mijn grootvader die dat ook deed, kocht er altijd zes, spatjes, zodat hij altijd dronken thuis kwam.

Vaak bracht hij ook een hondje mee uit het café. Ik nam er altijd een. Bij de Schouw, bij Westers of de Muizenval. Ze hadden ook een drietafeltjesterras, vier tafeltjes mocht niet van een wethouder die later Tolpoort bleek te heten en die alle bruggen van de stad haringkar- en bloemenstalvrij wilde maken. Vanaf het drietafeltjesterras keek je de Bilderdijkstraat uit en zag je het water van de Jacob van Lennepkade onder de brug verdwijnen, de brug die nu één groot­ ­terras is.

Ik stond in de Gerard Terborgstraat mijn fiets van het slot te halen toen ik werd aangesproken door de mannelijke helft van een echtpaar. Met de 12 bent u er zo. Ze droegen allebei wandelschoenen zag ik. Ik had even een tekeningetje voor ze moeten maken, dacht ik nadat ze hun weg hadden vervolgd. Wegvragers zijn inderdaad zeldzaam geworden, maar ze zijn er nog, echtparen op wandelschoenen, Japanse meisjes die met de tram naar de Heineken Experience willen, Oost-Europese mannen op de Dam die de Wallen niet kunnen vinden.

Misschien moeten we ons eerder afvragen wie de weg nog weet. Ik moest eens in de George Gershwin­laan zijn, in Buitenveldert. Ik wist ongeveer waar die was, bij de De Boelenlaan, en ik wist dat ik vlakbij was, maar ik kon hem niet vinden, en wie ik het ook vroeg, geen mens wist waar hij was.

Toen ik het gebouw waar ik moest zijn eindelijk gevonden had, had ik geen idee hoe ik er binnen moest komen. Een deur is open of een deur is dicht. Het is de ­titel van een stuk van ­Alfred de Musset, en een uitspraak waarover ik nog lang niet ben uitgedacht. Altijd komt ie weer langs en altijd is ie in al zijn helderheid even mysterieus.

En nu las ik dat er huizen bestaan zonder deur, zonder voordeur wel te verstaan, over de situatie binnen werd, meen ik, geen uitsluitsel gegeven. Geen deur, dat is nog eens iets anders dan een touwtje door de brievenbus. Of een deur die altijd aan staat. Of niet op slot zit.

Ik weet er een in een huis in Zuid Frankrijk, waar ik graag kom, onder meer door die deur­loze wc, want het heeft wel wat om op een wc niet tegen een deur te hoeven aankijken. In The Sopranos zit Johnny Sack op een deurloze wc te kakken en een sigaret te roken, terwijl hij in gesprek is met Tony Soprano en zijn adjudanten.

Niemand lijkt er van op te kijken. Mijn geliefde vertelt graag dat toen ze voor de eerste keer bij mijn ouders thuis kwam, mijn moeder met open deur op de wc zat. Dat is bijna een halve eeuw geleden en een open deur is nog wel even iets anders dan geen deur, maar ze is het niet vergeten. In het huis waar ik ben geboren, zaten twaalf deuren, heb ik uitgerekend, kastdeuren meegerekend.

Die deuren zaten allemaal dicht, op de deur naar de huiskamer en de deur naar de keuken na. In het begin van de jaren vijftig heeft mijn vader al die deuren een voor een in een andere pastelkleur geschilderd. Toen wij kwamen wonen, waar we wonen, was de route van de 24 net verlegd. Bij het Roelof Hartplein ging hij niet langer rechtsaf richting Ceintuurbaan, maar linksaf richting Gabriël Metsustraat.

Dat duurde tot de 24 plotseling verdween. Maar zie, na een jaartje of twintig tijdelijke werkzaamheden ging de Ferdinand Bol weer open en keerde de 24 terug op zijn oude route. Bij mijn eerste ritje voelde ik me toerist in eigen stad. Wat een opwinding, rechtsaf de Roelof Hartstaat in, geweldig, linksaf naar de Ferdinand Bol, nog mooier! Pas bij de Albert Kwiep kwam het hart tot rust.

Ik wou naar het Stadsarchief, maar de halte bleek opgeheven, en dus stond ik ineens op de Munt. Ik liep terug door de Carlton-galerij toen mijn aandacht werd getrokken door een A4-tje met de foto van een poes: King hem terug wilde hebben, maakte me blij. Een tijdje terug at ik een stukje bij een restaurant waar een poes rondliep die ons werd voorgesteld als Máxima, de koningin van het restaurant. Maar toen Máxima even later door een enorme hond gegrepen werd en we de dierenambulance moesten laten komen die een bijdrage in de kosten vroeg, kende het restaurant zijn koningin niet meer.

Gelukkig kon de zwaargehavende poes na een inzameling worden opgelapt en vond zij als Bikkel een nieuw baasje, ver van dat akelige restaurant. King ga ik binnenkort eens eten. Ik ging het IJsbaanpad af en was het sluisje in de Schinkel overgestoken toen ik ter hoogte van de Pilotenstraat de roep van de koekoek hoorde. In de verte, want de koekoek roept ­altijd in de verte. De stad zit vol vossen, bevers, bunzings, ooievaars, allemaal dieren die je vroeger nooit zag, maar de mussen zijn er van tussen en de koekoek zwijgt als het graf.

Vandaag is alles anders zou ik bijna zeggen. Als kind zat ik vaak op een zeilboot. Die boot lag tussen twee steigers die je bereikte door een lang pad af te lopen dat tussen allerlei houten loodsen door meanderde.

Op de zeilboot tussen zijn twee steigers was het altijd doodstil. En plotseling kwam dan over het water de roep van de koekoek. Enkele jaren geleden begon het me plotseling op te vallen dat ik steeds meer jonge Aziatische vrouwen van kleur over melkwitte kinderen zag moederen.

Ze duwden ze voort in karretjes, speelden met ze in het park en fietsten met ze in de bakfiets. Ik vond het opmerkelijk dat deze vrouwen zulke witte kinderen hadden. Ik heb nogal wat witte vrouwen gekend die kinderen hadden met Chinese mannen en die kinderen hadden allemaal iets Chinees meegekregen. Maar misschien was het omgekeerd wel omgekeerd, bedacht ik. Totdat iemand me vertelde dat de vrouwen niet de moeders ­waren van de kinderen, maar hun oppassen.

Ik heb, denk ik, een beetje de neiging raadsels te creëren, ook waar ze niet zijn. Karel van het Reve heeft eens een stuk geschreven, waarin hij ­iemand opvoert die op Sicilië binnen tien minuten drie keer ­iemand tegenkomt die maar een been heeft en daaruit afleidt dat er in Syracuse bovengemiddeld veel mensen met een been rondlopen. Ik ben die iemand, iemand bovendien die ook nog eens aan het piekeren slaat over de vraag hoe het komt dat er zo veel eenbeners zijn in Syracuse.

Ik fietste langs de nieuwe kunstroute op de Apollolaan die net als de vorige uit de koker komt van Rudi Fuchs, een met een hoger ­niveau dus en een prijskaartje, toen ik drie keer achter elkaar werd ingehaald door jongens die een andere jongen op hun bagagedrager hadden staan. Wat is dit, dacht ik. Een trend, een nieuwe rage, een club? Ondertussen keek ik naar de beelden op de route en voelde heimwee naar de Tinguely, de gouden schildpad en het vliegtuigje van Joost Conijn uit de tijd dat de beeldenroute het nog zonder hoger niveau en prijskaartje stellen moest.

Stilte is een zegen. Waar wij wonen is het stil. Wel hoor je af en toe geluiden. Geluiden die ik niet kan thuis brengen, vind ik het leukst. Boven ons wordt iets over de grond geschoven, tenminste zo klinkt het, maar wat? Het zal toch niet. Niemand schuift toch een paar keer per week een bank over de vloer? Dat doe ik door de filter met een klap tegen de rand van de prullenbak te slaan.

Ik heb het haar nog nooit gevraagd. Het duurde lang voordat de koffiepot door pruttelen aangaf dat de koffie klaar was, zo lang dat mijn geliefde vroeg of ik misschien vergeten was water in het reservoir te doen. Waarop ik haar eraan herinnerde dat ze een keer chili con carne zonder carne had gemaakt, wat uitstekend smaakte overigens.

Op gehaktdag maakte mijn moeder macaroni met ham en kaas, een uitheems gerecht in die ­dagen. Op een keer liet de kaas zich maar moeilijk kauwen. Wat kwam, zoals we na een tijdje ontdekten, doordat mijn moeder de papiertjes tussen de plakjes kaas had meegekookt. Als je Gerard Kornelis van het Reve opbelde, vertelde R. Van het Reve had net zijn Brief uit Edinburgh gepubliceerd en veranderde in razende vaart van de ambachtsman die probeert het Engels onder de knie te krijgen of de wetten van het toneel te doorgronden in de geestige provocateur die hij altijd al was, maar die hij tot dan buiten zijn werk had gehouden.

Maar er is nooit opgeroepen tot een boycot van Reve die in zijn voor- en achternaam veranderde , schreef Wouter van Oorschot ­onlangs in verband met de damesoproep tot boycot van een stijlloze website.

Een ketting kan lang zijn. Omdat we het over vroeger hadden, vertelde Hans een mop die hij van Genna Sosonko had gehoord. De mop ging zo: Het stoplicht bij het Concertgebouw stond op groen, dus ik­ ­begon aan de oversteek, maar bus bleek aan dat stoplicht geen boodschap te hebben en sloeg ­resoluut rechtsaf de Lairessestraat in.

Op mijn rijwiel maakte ik een snelle schatting waaruit ik ­afleidde dat ik onder de achterwielen van de bus geplet zou worden. Om dit te voorkomen, kneep ik in mijn remmen, waarna ik over mijn stuur heenvloog en als door een wonder een redelijk zachte landing maakte tegen twee dames die zojuist het Concertgebouw hadden verlaten.

Toen ik thuis de gehavende ­Lucebert-catalogus opensloeg, was het eerste wat ik zag zijn tekening Gevallen fietser uit Van huis fietste ik op een andere fiets naar een afspraak die me vertelde over een vriend, een oude man met wie het niet goed ging en die niet goed meer wist wie hij was. In een moment van helderheid had de oude man hem gevraagd, wat hij in zijn leven eigenlijk gedaan had.

En van goede wijn. Op weg naar ramsjwinkel Steven Sterk kwam ik langs Shoebaloo in de Leidsestraat, de schoenenwinkel waar in de ­jaren zestig mijn toenmalige vriendin haar schoenen kocht.

De winkel heette toen nog geen Shoebaloo, ze zagen je aankomen, maar De Lange meen ik. Net wat ik zei. Die zoals altijd, zoals ik wist, een maat te klein ­waren. Bij haar dood liet ze kasten vol te klein gekochte schoenen achter. Steven Sterk had geadverteerd met Leven met Reve: Sinds haar dagboeken wil ik alles van ­Michaelis.

Maar eenmaal ter plaatse bleek Steven Sterk op­geheven en te huur. Van alle hooggeplaatsten in mijn vriendenkring, voorzitters, dijkgraven, eindredacteuren, is de Groot Moefti wel de hoogstgeplaatste. De Groot Moefti is Groot Moefti van Amsterdam Noord en tevens onder het pseudoniem Jan Donkers schrijver van het standaardwerk over Amsterdam Noord, Zo dicht bij Amsterdam, een boek dat om de paar jaar met een nieuw hoofdstuk uitgebreid, herdrukt wordt.

Ook vermeldenswaardig is dat de Groot Moefti, die jarenlang ­gedreigd heeft het Centraal Station middels een bomgordel tot ontploffing te brengen, sinds een ritje door het fietstunneltje onder het CS geheel om is.

Enkele weken geleden leidde de GM een paar Amerikanen door de stad. Op de pont over het IJ wees hij hen op het Eye gebouw, wat ze prachtig vonden en daarna zei hij: Dat kon niet waar zijn, die dooie huizenblokken, Koolhaas, nee, de Moefti maakte een grapje zeker? Na raadpleging van Google raakten ze in een architectonische depressie die tot in de kleine uurtjes duurde. Hoe anders was mijn­ ­reactie toen ik een paar jaar geleden ontdekte dat het Frans Otten Stadion dat uitkijkt op onze tennisactiviteiten van Rem Koolhaas is.

Ik had het altijd een tamelijk lelijk gebouw gevonden, een ongeïnspireerde doos met lelijke betonnen uitlopers, maar ineens zag ik de schoonheid van het gebouw, hoe het landschap zich voegde naar de kracht van de architectuur, hoe alles samenvloeide en het geheel oneindig veel meer werd dan de som der delen.

Met een huis vol kinderen keken we tijdens de dodenherdenking naar de twee minuten stilte. Vreemd, dacht ik, kijken naar de stilte. Stilte is toch onzichtbaar, net als de tijd, de wind, de snelheid van het licht. Max Pam schreef dat de twee ­minuten stilte van de dodenherdenking vroeger werden aangekondigd doordat de straatlantarens gingen branden.

Dat was ik vergeten, maar zo was het. Iedereen stond voor het raam of op het balkon op het teken te wachten. En dan werd het stil. Toen al ­keken we naar de stilte. Wat ik niet vergeten ben, was de merelzang die je hoorde. Merels klonken nooit helderder en melodieuzer dan tijdens die twee minuten stilte. Wat ik weer wel vergeten was, is dat je vroeger af en toe nieuwe veters in je schoenen deed. En dat mensen een stukje gingen eten: Een glaasje drinken, hoor je nog wel.

Ik doe dat als eerbetoon aan de in overleden dichter Jan Hanlo die ik de jaren voor zijn dood ­regelmatig heb ontmoet. Hanlo was een wonderlijke man. Hij hield van motorfietsen, Vincents, kon op rijm middeleeuws spreken en droeg op feestjes vaak een gasmasker.

Tijdens de Wereldtentoonstelling bij de moderne boekwinkel Bas in de Leidsestraat, in meen ik, waar de wereld tentoon werd gesteld, hield Hanlo een toespraakje, waarin hij een boekje liet zien dat bij de tentoonstelling was verschenen.

Maar hij liet het boekje niet alleen zien, hij zei het ook. Van het papier waarop zijn toespraak stond geschreven, las hij voor wat hij deed: Twee meisjes stonden er giechelend een selfie te maken. Maar Paul de Leeuw was de man niet, dus waarom maakte hij een selfie? Ineens wist ik het. Tevreden fietste ik door naar de kapper, waar alle stoelen bezet waren. Toen de vrouw die voor mij was aan de beurt was, bleek ik aan de beurt. Zij was hier om haar zoon bij te staan. Ik nam plaats in de stoel van Alies uit Almelo die tijdens het knippen vaak zo gezellig met me praat.

Alies keek me even onderzoekend aan en vervolgde toen haar gesprek met de moeder die haar zoon bijstond.

En dat het zo kort geknipt is, komt natuurlijk doordat je de kapster niks gezegd hebt. Maar het staat je goed. Op straat kwam ik Hanneke Groenteman tegen aan wie ik mijn verhaal vertelde. De enkele keer dat ik vroeg de deur uitga, verbaas ik me altijd over de activiteiten die al gaande zijn. De fietspaden zijn vol fietsers, de bakkers in hun ­witte werkkleding pauzeren voor de bakkerij met een beker koffie en een broodje, kappers knippen en de bloemenwinkel die tevens een galerie is met aan zijn wanden bloemstillevens en stadsgezichten, heeft de bloemen buiten gezet.

Of je in een parallel universum terecht bent gekomen. Ik zit in de tram en kijk naar de jonge vrouw aan de andere kant van het gangpad. Ze draagt een uniform met daaronder schoenen die zo glimmend zijn gepoetst als alleen uniformdragers schoenen poetsen kunnen. Ze ziet eruit ­zoals ik me in de vroege morgen vaak voelde, vroeger. Dit als gevolg van de voorbije nacht, waarin het ene glas het andere uithaalde en het ene café als vanzelfsprekend naar het volgende had ­geleid.

Ik hield van de stilte die voorafging aan het moment dat het ­leven in de stad hervat werd. De plotselinge vuilniswagen, een rolluik dat rammelend omhoog ging, de zon die door de wolken brak en de overkapping van het Centraal Station verlichtte. De jonge vrouw had een vreselijke kater. Hij stond haar goed en ze had nog de hele dag om ermee te leren leven. Toen ik die avond met de laatste tram naar huis reed, zaten er naast mij twee jongetjes die allebei een klein voorwerp in hun hand hielden, een soort rad, dat ze konden laten draaien en dat dan strepen licht liet zien.

Met enige regelmaat begin ik kleine verzamelingen. Zo spaar ik sinds een jaar of twee platgereden en bij voorkeur roestige kroonkurken van bierflesjes. Ik heb ze van Amstel en Heineken, van Jupiler, Texels, Grolsch, Argus en van merken die ik door de roest niet kan ontcijferen. Het aardige van de verzameling is dat hij de blik omlaag dwingt, waar zoals je al snel merkt veel te zien is. De schoonheid van putdeksels is vaak bezongen, maar het is toch anders als je ze in hun natuurlijke omgeving bekijkt in plaats van op een foto.

Je vindt spijkers en schroeven en af en toe een platgewalste kroonkurk voor de verzameling, heerlijk ogenblik. Naast kroonkurken verzamel ik naamloze pleintjes. Wat niet eenvoudig is, want wat precies is een pleintje en wanneer is het naamloos? De straat die je van de J. Coenenstraat naar de Harmoniehof voert, brengt je bij een piepklein en driehoekig parkje, waar het voor jeugdige geliefden goed toeven is.

Vanaf het bankje dat zij vrijwel permanent bezet houden, kijk je op een alleraardigst pleintje. Straat, parkje en pleintje heten Harmoniehof wat volgens mij een beetje veel van het goede is, maar of het pleintje in mijn verzameling hoort, ik ben er nog niet uit.

De foto van de haringkar op het Haarlemmerplein die in de haringkar hangt, is een mooi, maar niet helemaal juist voorbeeld. De foto van de Gerard Doustraat gezien vanaf de hoek van de Ruysdaelkade , waar rock- en bluesgitarenwinkel de Plug zetelt, is niet mooier maar wel een beter voorbeeld.

Hij hangt op 8b in de etalage. Ze zijn terug, ze zijn terug. Ze scheren weer over de daken en jagen weer hoog door de straten, ze snijden door de lucht en schreeuwen, maar het is niet hun naam. Dit is het moment om in een niet al te goed opgeknapte negentiende eeuwse buurt, in Pijp, Kinkerbuurt of Helmerskwartier een beetje slordige straat op te zoeken en daar een goede uitkijkpost te kiezen om vanaf de grond het schouwspel in den hoge in de ­gaten te houden.

Negenduizend kilometer gevlogen om terug te keren op een nest in de Nicolaas Beetsstraat of het Bellamypleintje, een paar dagen bijkomen en dan weer aan de slag. Want er moeten eieren worden ­gelegd en uitgebroed en jongen grootgebracht. In de negentien uur per dag dat er gevlogen wordt, moeten honderdduizenden insecten gevangen worden.

De gierzwaluwen vliegt in groepen, en binnen de groep in paartjes, die elkaar in duettoon beschreeuwen, een heerlijk geluid, dat net zo bij de stad hoort als het bellen van de tram.

Gierzwaluwen lijken altijd ver weg. Zelfs als ik op vier hoog op mijn balkonnetje in de Bosboom Toussaintstraat stond, leken de gierzwaluwen ver bij me vandaan. En als er een vlak langs me vloog, deed hij dat zo snel dat ik hem niet beter zag dan vanuit de verte.

Tijdens een dodenherdenking op de Apollolaan zag ik eens een gierzwaluw uit de lucht vallen. Gierzwaluw op de stoep, vlak voor mijn voeten. Maar toen ik hem wilde pakken, vloog hij op en landde in een boom. De Franse dichter René Char schreef een gedicht over de gierzwaluw dat zo begint: Iedere keer als ik de stad in ga, lijkt het drukker geworden. Meer en grotere groepen worden rondgeleid door gidsen met steeds langere stokken waaraan grote vlaggen wapperen, steeds meer jongelui stuntelen op gehuurde fietsen over de fietspaden, waarop steeds meer mensen maar een potje raak lopen.

Mijn ogen zitten van voren en van ­achteren, bellen helpt niet en je hebt al je stuurmanskunst nodig om zonder schade aan fiets of toerist door de menigte heen te manoeuvreren. Jelka was knap, brutaal en zat op hockey. Toen we van school waren, heb ik haar nog twee keer gezien. De eerste keer was ze op weg naar ­Jeruzalem waar ze iets ging doceren. De tweede keer was in café het Hooischip aan de Amstel. Ze ­herkende me aan mijn stem. Ik herkende haar omdat ze mij ­herkende. Tijdens de meivakantie hebben we in wisselende samenstellingen steeds een stuk of drie, vier kinderen over de vloer gehad, jongens en meisjes, zo tussen de zes en de twaalf.

Om de een of ­andere reden dacht ik dat kinderen vandaag de dag de hele dag op hun telefoon zaten te kijken en nauwelijks een woord met elkaar wisselden, maar niets bleek minder waar.

Ze zaten gewoon urenlang te monopoliën of te hartenjagen en over de spelletjes te hakkentakken, heel herkenbaar allemaal. Af en toe kwam een moeder er een halen of brengen en dan hoorde je nog eens wat, want, dat moet gezegd, over hun privéleven ­waren de kinderen niet erg mededeelzaam.

De moeder van Manuel 11 vertelde over hun verhuizing van de Jordaan naar Nieuwendam en over de eerste keer dat ze haar zoon na de verhuizing van school kwam halen, zijn oude school in de Jordaan. Maar al wie er uit school kwam, geen Manuel, en bellen kon ze hem niet, want hij had geen telefoon. Dodelijk ongerust was ze tenslotte naar huis gereden. Waar Manuel al op haar zat te wachten. Hij kent zijn stad, Manuel, zelfs de stukken waar hij nooit geweest is.

De moeder van Nathan 6 vertelde dat haar zoon plannen had om een brug over de Atlantische Oceaan te bouwen, van Zeeland naar New York. Geen geringe ­ambitie voor een zesjarige. Hij had al becijferd hoelang het rijden was en hoeveel hotels er komen moesten onderweg. Intussen was er een einde gekomen aan een potje ­Monopoly en Rana zei: Om mijn geliefde te verrassen had ik op de Haarlemmerdijk een piepkleine gouache ­gekocht van Jaap Hillenius, de schilder die in , op de Willemsparkweg meen ik me te herinneren, tragisch aan zijn eind kwam toen hij werd overreden door een tram.

De gouache toont blije vlekken die half doorzichtig over elkaar heen schuiven en zo de lente zichtbaar maken. Terwijl mijn aankoopje werd ­ingepakt, raakte ik aan de praat met een schilderes die mooie kippenschilderijtjes maakt. Er was ook een boek van, zei ze, en dat boek liet ze me zien. Toen ik het doorbladerde, werd mijn aandacht ­getrokken door een schilderij van een onderzeeër.

Als miljonair had hij toen het goede voorbeeld kunnen geven door een eerste ton beschikbaar te stellen, maar ja, hoe word je miljonair? Door zuinig te zijn. En zuinig was hij, de columnist, zo zuinig dat Heineken hem een keer had opgevoerd in een advertentie, waarin gesteld werd dat hun bier nu zo lekker was, dat zelfs de ­columnist in kwestie wel een rondje geven zou, maar… Op dat moment viel de schilderes me in de reden en zei dat Maarten van Rossem niet de onderzeeër, maar haar schilderijtje had gekocht.

Jammer voor de onderzeeër, leuk voor het schilderij. Om de een of andere reden bleek ze die lach nog niet te hebben. Enige tijd geleden stond de postbode op de stoep met een doos die negentien deeltjes Bulletje en Bonestaak bleek te bevatten. Ik ben altijd gek op Bulletje en Bonestaak geweest. Ik houd van de droge precisie van de tekst van A.

Wat mij ook bevalt, is dat avonturen nog niet afgelopen zijn als ze afgebroken worden en ieder nieuw avontuur dus op een volstrekt willekeurige plaats lijkt te beginnen.

Het mooiste avontuur vond ik in boekje negen, waarin Bulletje en Bonestaak op een onbewoond ­eiland zijn beland en kennis hebben aan de menseneter Dinsdag, die niet alleen op verbazingwekkende wijze lijkt op Oude Hein maar net als Oude Hein verbazingwekkende verhalen kan vertellen.

Ik herinnerde me het avontuur vrijwel plaatje voor plaatje. Wat ik me afvraag: Als je naar een tennistoernooi gaat, weet je wie je gaat tegenkomen, maar toch blijft het vreemd als je op de Valentijnkade, waar je nooit eerder bent geweest, ineens allemaal bekenden ziet.

Hé, daar komt Maarten Moll aan gefietst, en daar zal je Henk Spaan hebben, terwijl Janneke van der Horst ­binnen blijkt te zitten.

Is het een Parool-toernooi misschien? Nee, het is een toernooi van Propria Cures, u weet wel, het studentenblad sinds In de tijd dat ik redacteur van Propria Cures was, werd er niet aan tennistoernooien gedaan. Als de redactievergadering in het fietsenhok van Drukkerij Van Campen erop zat, liepen wij rechtstreeks naar het koffiehuis naast het stadhuis en gingen aan het bier, om een uurtje later in de speelhal op de hoek van de Oudezijds en de Damstraat te belanden.

Onze favoriet daar was de Gator, een flipperkast waarop heroïsche duels zijn uitgevochten. Mensje van Keulen stond haar mannetje, Tim Krabbé was denk ik de beste, Koen Koch de stilist en Peter Hagtingius zou later nog wereldkampioen worden.

En nu tennissen we dus en Maarten Moll werd kampioen. Op de terugweg belandden mijn geliefde en ik in Café Koosje waar we ons ouderwets bezondigden aan bier en wijn en bitterballen. Een tijdje later, op de tramhalte, stapten we tegelijk in met een dame die een peddel bij zich had. Ik liep eens met mijn racket onder mijn arm over de Oudezijds Achter, toen een donkere schone die voor haar kamertje te swingen stond mij wenkte.

Theo die als kind Kleine Theo heette om hem te onderscheiden van zijn vader, Grote Theo, die door neefjes en nichtjes ome ­Dorus werd genoemd, kent Oost zoals ik West ken, op zijn duimpje.

Hij weet precies waar een telefooncel heeft gestaan, of een transformatorhuisje of een stadsklok. Op het Krugerplein stond een transformatorhuisje dat zich als pannenkoekenhuisje had vermomd.

Ook was er een fontein. We waren op weg naar de straat waar zijn ome Bennie had gewoond, de oom met wie zijn vader een steenhouwerij had gedreven.

Nadat we de Ringvaart waren overgestoken, belandden we in een stil straatje waar een man driftig zijn stoep stond te vegen. Voor zijn huisdeur stonden naast elkaar twee fietspompen, achter het raam zat een prachtige poes. De twee fietspompen waren nodig om er een functionerende fietspomp van te maken en de poes had een hartkwaal.

Ook ons huis kent vele kamers. Zes om precies te zijn, de riante hal meegerekend. In deze hal hangt tussen tekeningen van Simon Vinkenoog en Remco ­Campert, schilderijtjes van Pam Emmerik en Han Bennink en een polaroid van Gerard Reve die zijn hoed opzet of juist afneemt, dat kun je op de foto niet zien, een zwart-witfoto waarop een volslanke vrouw in een witte jurk hand in hand met een man in een grijs pak van ons wegloopt. Bezoekers vraag ik altijd of ze de vrouw herkennen en dat doen ze.

De achterkant van Marilyn Monroe blijkt net zo herkenbaar als Marilyn Monroe van voren. Nu hebben velen van ons de achterkant van Marilyn Monroe wel eens gezien.

In Niagara bijvoorbeeld wordt die achterkant uitgebreid in beeld gebracht, in volle werking. Maar wie kan zeggen dat hij ­Samuel Beckett wel eens van achteren heeft gezien? Zoals je in de man met de tas en de regenjas die je vroeger wel door de stad zag scharrelen altijd Simon Carmiggelt herkende. Een tijdje terug fietste ik door de Vijzelstraat in de richting van de Munt toen ik aan de overkant een goede vriend langs het Stadsarchief zag lopen. Hij ging dezelfde kant op als ik.

Ik zag hem dus op de rug, maar dat hij het was, leed geen twijfel. Zoetendaal heeft het over openingen, poorten, sleuven, spleten, kieren, een veelzeggende opsomming die bedoeld lijkt om Breitners liefde voor stegen te verklaren.

Maar misschien ook niet. Breitner hield van stegen, zoveel is duidelijk, zoals ik ook van stegen houd. De smalle reep licht hoog boven je, de V van lucht aan de twee uiteinden van de steeg, de permanente schaduw, de altijd aanwezige geur van pis, het heeft iets, waardoor het misschien wel de stegen zijn die een stad tot een stad maken. In stegen valt altijd iets te beleven. Je wordt er beroofd en hoeren oefenen er hun handwerk uit, er worden drugs gedeald, er wordt gepist, gespoten, gevreeën en ­gevochten en als je mazzel hebt, is er ergens halverwege een verscholen deur die toegang geeft tot een houten trap die naar de verdieping leidt waar een oude Indische dame in bontjas op haar troon eenmaal in de maand audiëntie verleent aan de Indische jongens uit de buurt.

Ze had magere handen en droeg ringen met grote stenen aan al haar dunne vingers. Ze had grote ronde ogen en rook naar de specerijenwinkel. Als de rituele begroeting met mijn vriend ten einde was, reikte ze mij haar smalle hand die ik voorzichtig drukte, waarna wij haar achterlieten op haar troon en de steeg uitliepen naar de Geldersekade om daar aan te leggen bij een klopcafé. Altijd op een vrijdag, het hele weekend nog voor ons.

Ik zat buiten, want hoewel de dag voorbij was, was het lekker weer. Toen ik naar binnen ging om iets te bestellen, stond er een oude man aan de bar die bezig was hem stevig te raken. Een moeder en dochter sloegen het met belangstelling gade. De dames vielen bijkans in katzwijm van verbazing. Brutaal geworden bogen ze zich vervolgens over zijn jeneverkelkje op de tap.

Nadat de man dat had bevestigd, zei ze dat ze dat niet hadden in het Zuiden. Ik had inmiddels mijn biertje gekregen en ging weer buiten zitten, waar de oude man die Willem bleek te heten zich niet veel later bij me voegde. Ik schoot in de lach. Maar nu ga ik naar huis. Daar ben ik nog voor het eerst beroofd. Door de jongste zoon van de Tokkies. Van al mijn voetbalplaatjes. Mijn vriend de schaker, die geen schaakvriend is en met wie ik nog in de derde klas van de lagere school heb gezeten, de huidige groep 5 als ik me niet vergis, waar hij zich overigens niets van kan herinneren maar ik wel, vertelde me dat hij eens met een schaakofficial vanuit het Centrum naar West was gereisd, met de Kikker dus of met de Blauwe Tram, voor een schaakevenement dat plaatsgreep in het gebouw van de Wereldbibliotheek bijvoorbeeld of op het stadhuis van Sloterdijk, waar mijn ouders in de meidagen van ­getrouwd zijn, maar dit geheel terzijde.

Daar aangekomen had de official lacherig verteld dat hij vanuit de tram een winkel had waargenomen, die zich het Opklapbeddenpaleis noemde. Algemenen hilariteit onder het schaakvolk. Maar inderdaad, het valt niet te ontkennen, in de nabije omgeving van de Admiraal De Ruijterweg had je de Stoffenprinses, de Gaskoning en de Stofzuigerkoning ze zitten er nog , een Beddenpaleis en de ­Tapijtkeizer. En in de Elegaststraat woonde bovendien de Sjah van Barbarber.

Barbarber was een langwerpig tijdschrift, dat vanaf werd geredigeerd door K. Brands en Brands was de Sjah van Barbarber.

Brands heeft op een velletje ­boterhampapier eens een tekening van Okkie Pepernoot overgetrokken, en dan schreef hij ook nog Het laatste kwatrijn: Een sjah, een koning, een keizer, een prins, een prinses en een paleis, wat is dat toch met de Admiraal De Ruijterweg?

Naast mij klonk het antwoord: In de Halvemaansteeg was ik wegens trek een dönerzaakje binnengelopen. Aan het ­tafeltje bij het raam zat een grote witte man een enorme kapsalon weg te werken.

Niet helemaal politiek correct leek me, maar het smaakte hem er niet minder om. Nadat ik mijn keus had gemaakt, wendde ik mijn blik naar de kast met gekoelde dranken. Alleen maar limonade, stelde ik vast. Nou ja, halal, niks aan te doen. Van de Halvemaansteeg liep ik over de Kloveniersburgwal naar de Nieuwmarkt, waar op de kermis het vijftiende en laatste door Geert van Tijn georganiseerde KroegKorenConcours plaatsvond. Dat jureren is een aangenaam karweitje. Je luistert naar vrolijk gezang en je kijkt af en toe naar Geert die onder zijn hoge hoed gelukkig zit te wezen, vlak voor je neus zie de leuke ­dames van het Zeedijkkoor welhaast ongemerkt van dame in hoer veranderen en intussen houdt Van Luyn alles bij om er een spitse prijs­uitreikingsconference over te houden.

Nadat we voor Geert met zijn ­allen Aan de Amsterdamse grachten hadden gezongen, kregen de juryleden de traditionele fles ­korenwijn. Door de buurt liep ik naar de tram naar huis. De meisjes in hun neonverlichte kamertjes ­hadden hun vingers in hun poes of ­keken op hun telefoon.

En hopsa heisasa, want koude voeten, wintertenen, al dat kil en koud verdriet, heb je in de meimaand niet. Dat hield in dat de kinderen in de klas die lid waren van de AJC vrij kregen om in optocht door de straten te lopen, waarbij ze op trommels sloegen en rode vlaggen mee droegen. Hoewel ie van de toffelemonen was, vond ik hun optocht van die met broodjes en sinaasappels ­opgetuigde stokken toch leuker.

Net als mijn moeder, die als kind bij de padvinderij wou, wat natuurlijk niet mocht, stel je voor, een kind uit een keurig SDAP gezin bij de padvinderij! Uiteindelijk heeft ze even bij de Rode Valken of zoiets gezeten.

Heel even maar, want toen ze zestien was, ontmoette ze mijn vader en met hem ging ze lekker kanoën. Het gekke is dat ik tegenwoordig gek ben op de AJC en uit dien hoofde een trouw lezer ben van Het gele blaadje, een blad van en voor oud AJC-ers van Nederland. In het zojuist verschenen 1 mei-nummer staat een verhaal van ­René de Cocq die er samen met een vriend in slaagt een 78 toerenplaat van Little Richards Tutti Frutti bij volksdansles binnen te smokkelen.

Toen de volksdanslerares even weg was, legden ze de plaat op de Trio-Track en: Als door een wesp gestoken vloog Jos de gymzaal in, wit van drift, sissend: Zijn jullie nou helemaal gek geworden. De winkel die beloofd had om tien uur open te zijn en waar ik om ik om tien uur voor de deur stond, bleek nog gesloten.

Waarop ik tot een kleine wandeling besloot die mij na enkele stappen al voor de etalage van een postzegelwinkel bracht. In deze etalage vallen behalve postzegels vaak kleine zilveren voorwerpen te bewonderen als snuifdozen, ­sigarettenkokers, roomkannetjes. Deze keer stond er een niet onaardig peper en zoutstel. Wat er ook stond, was een bakje vol priegelige muntjes.

Vier keer geluk voor een tientje, een aanbod dat je niet kunt weigeren. Groot geluk doorstroomde mij toen ik even later met mijn vier halve centen weer buiten stond, want daar, op het fietspad fietste een leuke jonge vrouw voorbij die in een hand een grote tak bloeiende perenbloesem meevoerde.

Fluitend liep ik naar het dichtstbijzijnde boekenkastje, waar het Schrijversprentenboek Jacobus van Looy al op mij te wachten lag. Thuis bekeek ik de plaatjes en ik las deze uit daterende tekst van Van Looy: En plotseling, met die stem eens dichters die de woorden zo lief heeft, zei hij: In de Spiegelstraat gaat het snel bergafwaarts. Was het tot voor kort een straat vol mooie antiekwinkels en ­galerieën, nu worden er hamburgers verkocht en namaakkunst in ­namaak gouden lijsten.

In de etalage van de buurman staat een enorme afdruk van de ­foto waarop Sophia Loren tijdens een etentje schuins in het decolleté van Jayne Mansfield zit te ­loeren. Ik word altijd vrolijk als ik de foto zie en ik ben niet de enige.

De ene toerist na de andere houdt de pas in om zich breed grijnzend voor de foto te laten fotograferen, waarna ze hun weg vervolgen. Ik voeg me in de stroom, en loop mee in de richting van het Rijksmuseum. In de passage onder het museum klinkt een strijkkwartet. Een man blaast op een saxofoon, maar Sonny Rollins is hij niet.

Aan de andere kant wachten de letters die tezamen Iamsterdam vormen en om de een of andere reden zijn uitgegroeid tot een van de grote attracties van de stad. Terwijl ik het plein oversteek, denk ik aan de keer dat het ­gerucht door de stad ging dat de duizenden narcissen op het plein geplukt mochten worden. Wat toen ook gebeurde. In drie tellen was het hele grasveld kaal. In de Van Baerlestraat ga ik naar binnen bij boekhandel Premsela, sinds een maand failliet.

Ik ga nog in zaken op mijn oude dag. Ik houd van de geur van ­gravelbanen in de morgen. De tennisbanen van mijn jeugd lagen aan de Zuidelijke Wandelweg. Vanuit de Bos en Lommer was dat een heel eind fietsen. Eerst de eindeloze Hoofdweg af, waar de zon altijd leek te schijnen, dan om het Surinameplein heen en de Overtoomse Sluis over.

Aan de andere kant van het ­water stond een kerk, die later plaats moest maken voor Autopon, dat in Volkswagens deed. Een eindje verder op de Amstelveenseweg was een manege waar het op woensdagmiddag druk was met paarden en kinderen. Als mijn moeder me bracht, en dat deed ze in het begin, vroeg ze altijd of ik niet op paardrijden zou willen.

Dat wilde ik niet. Lijken die kinderen je niet leuk? Tenniskinderen waren al erg genoeg. Ze vroegen je wel waar je woonde, maar als jij zei dat de Esmoreitstraat in west was, hadden ze meteen geen belangstelling meer. Toen ik alleen naar de tennisbaan mocht, ging ik, als ik niet naar school hoefde, vaak vroeg in de ochtend. Het was dan stil op de Wandelweg. De voetbalvelden ­lagen er verlaten bij, maar op de tennisparken werd altijd ­gespeeld.

Op het pad dat door het struikgewas naar ons clubhuis liep, hoorde ik het zachte geplof van de ballen en kikkergekwaak daar doorheen. Op weg naar hun boerensloot. Ik liep langs de Artis en al ­lopend keek ik naar de mensen die door de Artis liepen. Ze hadden hun ronde ­gemaakt, van de apen, naar de leeuwen, langs de olifanten en ­giraffen, naar de zeeleeuwen en de pinguïns, en nu waren ze, hoewel ze nog lekker door de Artis liepen, op weg naar de uitgang.

Naast me zat een man op zijn fiets. Naar de ­Plantage waar je naar de lepelaars kunt ­kijken. De meeste lepelaars stonden op hun eiland op een kluitje bij elkaar. Een stuk of drie zaten te broeden op een door mensenhanden gemaakt nest in een knotwilg. Drie anderen liepen te snavelen in het ondiepe water dat hun eiland omringt. Behalve lepelaars liepen er kemphanen, patrijzen, een ­kievit, een paar kluten, twee ooievaars.

Aan mijn kant van het hek was een fontein die op gezette tijden water spoot. Ik heb een tijd staan kijken en liep toen zonder om te kijken weg. Als je de Artis binnenkomt, ­herinnerde ik me, bekijk je ieder dier en alleen al de aanblik van olifanten in de verte vervult je van ­opwinding. Als je niet de ronde maakt, maar dezelfde weg terugneemt, keur je dezelfde olifanten geen blik waardig.

Door de Roeterstraat liep ik naar de Sarphatistraat en daar, vlak voor de hoek met de Weesperstraat zag ik vijf struikelstenen ­oplichten in de zon. Vermoord maar niet vergeten. In de herfst van anderhalf jaar geleden liep ik langs de Amstel en de Hermitage.

Na een korte aarzeling, ik durf het haast niet te zeggen, maar ik heb het niet zo op de Hermitage met al dat tsarengedoe en hun ­eieren van Fabergé, ging ik de poort door en betrad de binnenplaats.

...

Sex afspraak arnhem pijppen


vader neukt vriendin van zoon free meiden van holland

Uiteraard sluit het een het ander niet uit, maar wellicht vind je de laatste eerder op plekken waar mensen meer open staan voor diepere connecties; zoals bij cursussen gericht op persoonlijke groei of yogalessen. Want net als bij daten kan het voorkomen dat je na twee keer te hebben afgesproken gewoon toch niet klikt samen.

Of dat je een grap vertelt die helemaal verkeerd begrepen wordt. Laat het los als het niet werkt, of steek er toch nog wat moeite in als je dat graag wilt. Maar geef het niet teveel gewicht. Sommige dingen werken, andere niet. Inmiddels heb je dat vast al vaker meegemaakt. Het is niet het einde van je sociale leven. Je bent nu op een punt in je leven dat je waarschijnlijk al vaker hebt meegemaakt dat dingen toch wel loslopen.

Het komt dus goed, je kunt rustig aan doen. Je hoeft je niet anders voor te doen dan je bent om leuke mensen tegen te komen. En dat geldt zeker als je op zoek bent naar een vriendschap die beklijft. Ook als je niet graag onbekende mensen aanspreekt kun je op allerlei plekken nieuwe toekomstige vriendinnen ontmoeten.

Een beetje geluk en chemie doen, net als in de liefde, wonderen. Jezebel en Real Simple. Noraly King - www. Hoi, ik ben Noraly! Naast hier op vriendinnenonline schrijf ik ook op mijn eigen blog  www. Verder hou ik enorm van mooie vondsten en nog meer van mooie foto's. Ik smul, geniet met volle teugen en moeder maar wat aan. Welkom op het grootste vriendinnenplatform van Nederland. Je kunt hier op een gemakkelijke en vrijblijvende manier nieuwe vriendschappen sluiten en jouw vriendenkring vergroten.

Inloggen Registreren Wachtwoord vergeten. Dit is misschien een beetje confronterend. Maar ik zal eerst gaan. Wanneer heb je voor het laatst een echte nieuwe vriend of vriendin erbij gekregen?

Niet een lieve, goede kennis of een erg leuke collega. Maar iemand die je vannacht zou durven bellen als er iets is. Een beste vriend of vriendin. Ik ben inmiddels de dertig al een tijdje geleden gepasseerd en bij mij is dat…. Lees meer over deze blogger. Reacties 52 Toon commentaar. Je bent nog niet ingelogd. Als hij in zijn auto rijdt en mij ziet fietsen, komt hij me achterop, draait zijn raampje open en roept iets als: Een keer, we reden in de Hondecoeterstraat ter hoogte van de ­inmiddels gesloten Melkhandel waar ze zulke lekkere broodjes verkochten, dreigde het lelijk uit de hand te lopen.

Mensen in de winkel kozen partij voor mij en voor de fiets tegen de auto en zijn bestuurder, waarna enkele stratenmakers zich solidair verklaarden. In de tram gaat het ook. Ik wist dat zij jou zwaaien ging. Op brug over het Amstelkanaal staat op iedere hoek een huisje met een pannendak. Als je de Schilderskade af komt in de richting van de Amstel, zie je dat het in eerste huisje True Beauty is gevestigd, een skin care center.

In het huisje aan de overkant zit een meneer aan een grote tafel met een laptopje erop in zijn eentje Mise en place te wezen.

Toen ik als jongen op de banen bij de Apollohal tenniste, zat hier een sportwinkeltje. De man van het winkeltje bespande tennisrackets, met nylon en met kattendarm, en dat deed hij zo goed, dat je als je met een door hem bespannen racket speelde niet verliezen kon.

Verder dan het vervangen van een of twee gesprongen snaren kwam ik niet. Maar dat ze door hem waren vervangen, hielp al. Het mooie van Pizzeria San Marco en is dat je je pizza ook met de boot kunt afhalen. Of dat ook gebeurt, vroeg ik aan de Italiaan die in het keukentje voorbereidingen trof voor het dagelijkse pizza bakken, maar omdat hij de vraag niet begreep, kon hij geen antwoord geven.

Het glas nooit vol, maar ook niet leeg, en zonder al te veel te zeggen. Streepjes op een bierviltje hielden de score bij.

Af en toe bracht de barkeeper de telefoon en zei: Het glas werd vaker bijgevuld dan het kannetje, zodat cola met jenever van cola met ­jenever langzaam veranderde in jenever met cola en van jenever met cola in jenever. We rookten filtersigaretten en mijn vriend had zijn zonnebril opgehouden.

Van tijd tot tijd namen we een biertje om het weg te spoelen. Dat ­betekende dat hij iets gewonnen had met het paard waarop hij had ingezet in café Cramm op de Nieuwendijk. Maar straks was nog ver en naar Cramm kon altijd nog. Voorlopig zorgde de zon die voor de deur lag en aan de ruit hing nog voor zoveel licht dat van verkassen geen sprake kon zijn. De gelukbrengende ­halve centen, zoals ­verkocht door de postzegelwinkel bij mij om de hoek, kosten twee euro vijftig per stuk, maar voor een tientje koop je er geen vier, zoals ik schreef, maar vijf.

Plus dat geluk dus. Aan de wand, tussen de duizenden postzegelalbums, hing een foto van Parnassus in een vorig bestaan. Het oude postkantoor in de Gerard Terborgstraat, dacht ik, bijna goed, maar toch fout, want het was het voormalige hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds. Ik kwam er graag. Ik was dol op de rijen voor al die loketten, ­loketten voor brieven, loketten voor pakjes, voor postzegels en ­filatelie, voor aangetekende stukken, de postgiro en poste restante, en het leukst van allemaal, voor telegrammen.

Ik stuurde vaak voor de lol een telegram om het in gedachten te volgen op zijn avontuurlijke reis. Er stonden ook tafels waaraan je plaats kon nemen om een brief te schrijven of zomaar wat te zitten. Het viel niet te ontkennen. Weer op straat raakte ik in gesprek met een jongetje met een masker dat hem als hij het opzette in Zorro veranderde.

Toen ik het poortje naar de binnentuin binnenging, rende hij naar zijn moeder en riep: Ik wil niet opscheppen, maar mooi dat ik wel een van de weinige mensen ben die ­zowel Lubbert van Gortel als Drika hebben gekend. Dat komt doordat ik een op een personeelsfeestje ben geweest waar ze allebei optraden. Het feestje vond plaats op de Bep Glasius, het vlaggenschip van Rederij Koppe die zijn schepen achter het Centraal Station had liggen en kantoor hield in het inmiddels verdwenen Storkhuisje.

Op dat feestje kwamen ze de loopplank over als Henk Jansen van Galen en Annie Palmen, maar al tijdens het schutten in de Oranjesluizen hadden ze zich verkleed als Lubbert en Drika, dit wel zeggen als namaakboer en namaak vissersvrouw in verzonnen klederdracht.

Ik zei dat ik een groot fan was en altijd naar de Boertjes van Buuten keek, maar ik geloof dat ze mij niet erg geloofden. Ik geloof dat ze zelfs dachten dat ze in de maling werden genomen, maar ik meende het. Maar als er een nieuwe eigenaar ten ­tonele verschijnt, heb je daar niets aan. Meedogenloos gaat de sloopkogel erin, weg schitterende glasgevel, weg uitbouwen en ornamenten, weg meesterwerk van Jan Kuijt de architect die ook de uitzinnige kerk van Halfweg op zijn naam heeft staan.

Niemand heeft zijn stem laten horen in een poging dit kwaad te voorkomen en nu is het te laat. Een eindje verderop op het ­Rokin is ook iets vreemds aan de hand.

Kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae heeft zijn deuren opengegooid en laat middels grote schoolborden weten dat je er terecht kunt voor diner. Zitten ze plotseling in een club waar iedereen lid van is. Is het dan nog wel een club, kan je je afvragen. Als ik langs Arti kom, kijk ik naar het stuk kademuur aan de andere kant van de straat, recht tegenover het kantoortje van rederij Kooij. Uit de nevelen van het verleden doemt een meisje op, een jonge vrouw met donker haar en donkere ogen die haar voeten boven het water bungelen laat, terwijl ze een Dunhill blauw met filter rookt.

Ik gids een laatste rondvaart door nacht en gracht en als we afgemeerd zijn en ik de fooi gedeeld heb met de kapitein en over het water naar de kade kijk, zwaait ze naar me met haar sigaret die ­oplicht in het duister. Vlak voor Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat staat een bord dat een wandelpad belooft.

Eenmaal op het pad zie je een ander bord dat zegt: Het pad, dat drie tegels smal is, gaat achter Te Vraag langs en langs de woonboten aan de Schinkel, waarvan de meeste zich als villa hebben vermomd, met riante terrassen voor de deur of op het dak. De ­inhoud was helaas teleurstellend. Vlak voorbij Poldergemaal Jaagpad 25 A kwam ik een man achterop die een gereedschapskist op zijn schouder droeg. Om me te ­laten passeren, ging hij in de berm staan. Dat schip waar ik werk was bijna gezonken.

Ik ben nu al drie maanden bezig. Eenmaal bij de sluis was het lawaai zo oorverdovend dat ik vreesde voor de geestelijk welvaren van de bewoners van de boten hier. Ik zou binnen een dag rijp zijn voor opname. Vanuit de Vijzelstraat ga ik de Herengracht op om even langs het huis van de burgemeester te ­komen. Als de rondvaartboot langs het huis van de burgemeester voer, zeiden wij: Nu valt er niet veel te lachen als je het huis van de burgemeester passeert, alleen maar te hopen, en hem sterkte en het beste te wensen.

De brug over de Reguliersgracht die ik in zicht krijg, is een van de steilere klimmetjes van onze stad. Tot mijn schrik zie ik dat de brug vol staat met scholieren die poseren voor een groepsfoto. Ik weet hoeveel moeite het mij gaat kosten om boven te komen en welke commentaren dat gaat opleveren. Op de top wuif ik en ze zwaaien terug, allemaal. In de afdaling naar de Amstel passeer ik zesenwtintig in identieke T-shirts gestoken bouwvakkers die naast elkaar hun boterhammen met theeworst zitten te ­besmeren.

Of was het pindakaas? Het schouwspel heeft me hongerig gemaakt. Er staan vijf bankjes, alle vijf zijn ze bezet. Bij Quick, de lijstenmaker op de Ceintuurbaan waar ik een piepklein dingetje bracht om ingelijst te worden, vroeg ik aan Job die onlangs vader is geworden hoe het met de kleine stond, of hij de tafel van acht al kon opzeggen en naar welke middelbare school hij ging en meer van dat soort grootvader flauwiteiten.

Dat niet nee, maar de baby was inmiddels anderhalf dus kon al wel van alles. Job grinnikte, en zei toen dat hij met een Griekse ­getrouwd was. Gerustgesteld ging ik de deur uit, richting Concertgebouw en vandaar door de Van Breestraat naar de Valeriusstraat. De Valeriuskliniek is definitief verdwenen. Het enige wat nog aan het gebouwencomplex herinnert, is een kale zandvlakte met een hek er omheen. Maar in de straten van Zuid bloeien de rozen, rood en wit, geel en rose, theerozen, tuinrozen, klimrozen tot aan de daklijst of tot in de kruin van een uitgebloeide meidoorn.

Toen ik wilde betalen, bleek de boel op slot te zitten, maar een bordje zei: Dat kwam pas toen ik uit een bak een ­Amsterdamsch stratenboekje kocht. Het is uit , toen het 20 cent kostte. In de eerste plaats zijn er de straten die er nog niet waren. Ik was er nog niet in , maar de Esmoreitstraat waar ik geboren ben ook niet. De hele Bos en Lommer moest nog gebouwd worden. De Rivierenlaan was er ook nog niet, maar de Rijnstraat weer wel, net als de Vechtstraat.

Ook interessant zijn de verdwenen straten, die zich met name in de Jodenbuurt bevonden. De bewoners werden vermoord, hun huizen gesloopt en de straten van de plattegrond verwijderd, Joden Houttuinen, Zwanenburgerstraat, Lange Houtstraat, Moddermolensteeg, Lazarussteeg, Vlooienburg, alles verdwenen.

Net als de gangen. De eerste straat in het Amsterdamsch stratenboekje is de Aalsmeerdergang, bij de Lindengracht. Daarna spotte ik de Arke Noachsgang, de Baafjesgang en toen maar liefst zes Bakkersgangen.

De hele stad bleek vergeven van de gangen, Hoedenmakers, Klokken, Koehouders, Kuipers, Rozenmarijn, Rozennobel, Schelvis, Schoenmakers, Schuitenvoerders, Slachters, Sleepers, gangen, gangen, het houdt niet op. De doodlopende steeg die ik aan het begin van dit Gelukje betrad, bevindt zich in de Hazenstraat, zo tussen Kunstverein en Galerie Stigter Van Doesburg. Hij is anderhalve meter breed. De gang heeft geen naam, maar was vroeger, denk ik, een van de acht Gruttersgangen die de stad rijk was.

Voor de draaideur van de Albert Heijn stond een man met vier bananendozen aan zijn voeten. De bananendozen waren op ­elkaar gestapeld en reikten tot iets boven zijn knieën. De man keek een tijdje naar de dozen en liet zich toen door de knieën zakken in een poging de vier dozen in een keer op te tillen.

Toen dat niet lukte, splitste hij de stapel in tweeën en probeerde twee dozen onder ­iedere arm te nemen. Toen dat ook niet lukte, zette hij de vier ­dozen naast elkaar en probeerde ze zo op te tillen, wat niet lukte.

Tenslotte stapelde hij ze weer op elkaar, tilde ze op en liep weg. Mij enigszins verbijsterd achter ­latend. Na een jaar in de diepvries werd de haring toch minder, maar ik had gelijk, het was niet meer zo als vroeger, toen haring aan het eind van het seizoen bruine vlekken kreeg en wel erg tranig smaakte. Vandaag is de nieuwe haring er weer en zijn alle haringkarren in de stad voor een dag een klein ­cafeetje.

Ik heb een vriend in Smilde. Als we elkaar spreken, spreken we elkaar in Amsterdam en dan zegt hij dingen als: Dat ik herken omdat ik een vorig leven een paar maanden in Zuid-Laren heb gewoond, vlakbij de Brink, boven de elektrawinkel van De Boer. Of woorden van gelijke strekking. Het was winter en de kraan van de wastafel op mijn kamer was permanent bevroren, een interessante ervaring. Als ik van station Assen naar Zuid-Laren fietste en dat deed ik af en toe, kwam je langs de hunebedden, grote stenen die op stapeltjes in de hei ­lagen.

Onze Man uit Smilde en ik spreken af bij Luxembourg of Kapitein Zeppos, waar we bij een broodje gezond ingewikkelde dingen bespreken. Deze keer zaten we in het café van het Stadsarchief. Aan het eind van onze bespreking gekomen, stelde ik voor de tram naar het Centraal te nemen. Maar daar voelde Onze Man uit Smilde niets voor.

Hij ging lekker op zijn gemak door de Kalverstraat, een beetje snuffelen. Ik was paf, zoals Hanny Michaelis het in haar dagboek noemt. Iemand die voor zijn plezier door de Kalverstraat ging lopen. Het kon niet waar zijn. Ik besloot toch eens in Smilde te gaan kijken.

Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat is een van de wonderen van de stad. De aula stond op instorten en de graven en de paden tussen de graven waren overwoekerd door onkruid. Maar mooi was het er. Ik herinner me dat in het conciërgehuisje bij de ingang nog ­oude kranten op tafel lagen, alsof de Cerberus die de toegang bewaakte nog maar net was vertrokken, terwijl de begraafplaats al sinds is gesloten. De laatste keer dat ik Te Vraag aandeed, was in het begin van de jaren negentig, in het vroege voorjaar.

De aula werd bewoond, de ­paden waren weer toegankelijk en de grafstenen zichtbaar. Er stonden bijenkorven in de perken, overal bloeiden sneeuwklokjes en de knoppen van de kastanjestruiken liepen roodbruin en kleverig uit. Bijna dertig jaar later steek ik het bruggetje dat naar de toegang leidt weer over. In het congiërcehuisje staat een hoog tafeltje met de daarop een vaas met bloemen. Op de trappen voor de aula staan rijen geraniums met een enkele blauwe lobelia ertussen.

Bij de tuinvrouw die net op haar fiets stapt, informeer ik of ze de geraniums heeft overgehouden, maar nee, dat blijkt niet het geval. Tegenwoordig zijn ze allemaal opgekweekt.

Er bloeien margrieten, egelantieren, boterbloemen, de buxushagen zijn geschoren. Een tikje keurig allemaal, maar het blijft een wonder, Huis Te Vraag. Mijn grootvader die dat ook deed, kocht er altijd zes, spatjes, zodat hij altijd dronken thuis kwam. Vaak bracht hij ook een hondje mee uit het café. Ik nam er altijd een. Bij de Schouw, bij Westers of de Muizenval. Ze hadden ook een drietafeltjesterras, vier tafeltjes mocht niet van een wethouder die later Tolpoort bleek te heten en die alle bruggen van de stad haringkar- en bloemenstalvrij wilde maken.

Vanaf het drietafeltjesterras keek je de Bilderdijkstraat uit en zag je het water van de Jacob van Lennepkade onder de brug verdwijnen, de brug die nu één groot­ ­terras is. Ik stond in de Gerard Terborgstraat mijn fiets van het slot te halen toen ik werd aangesproken door de mannelijke helft van een echtpaar. Met de 12 bent u er zo. Ze droegen allebei wandelschoenen zag ik. Ik had even een tekeningetje voor ze moeten maken, dacht ik nadat ze hun weg hadden vervolgd.

Wegvragers zijn inderdaad zeldzaam geworden, maar ze zijn er nog, echtparen op wandelschoenen, Japanse meisjes die met de tram naar de Heineken Experience willen, Oost-Europese mannen op de Dam die de Wallen niet kunnen vinden. Misschien moeten we ons eerder afvragen wie de weg nog weet. Ik moest eens in de George Gershwin­laan zijn, in Buitenveldert.

Ik wist ongeveer waar die was, bij de De Boelenlaan, en ik wist dat ik vlakbij was, maar ik kon hem niet vinden, en wie ik het ook vroeg, geen mens wist waar hij was. Toen ik het gebouw waar ik moest zijn eindelijk gevonden had, had ik geen idee hoe ik er binnen moest komen. Een deur is open of een deur is dicht. Het is de ­titel van een stuk van ­Alfred de Musset, en een uitspraak waarover ik nog lang niet ben uitgedacht. Altijd komt ie weer langs en altijd is ie in al zijn helderheid even mysterieus.

En nu las ik dat er huizen bestaan zonder deur, zonder voordeur wel te verstaan, over de situatie binnen werd, meen ik, geen uitsluitsel gegeven. Geen deur, dat is nog eens iets anders dan een touwtje door de brievenbus. Of een deur die altijd aan staat. Of niet op slot zit. Ik weet er een in een huis in Zuid Frankrijk, waar ik graag kom, onder meer door die deur­loze wc, want het heeft wel wat om op een wc niet tegen een deur te hoeven aankijken. In The Sopranos zit Johnny Sack op een deurloze wc te kakken en een sigaret te roken, terwijl hij in gesprek is met Tony Soprano en zijn adjudanten.

Niemand lijkt er van op te kijken. Mijn geliefde vertelt graag dat toen ze voor de eerste keer bij mijn ouders thuis kwam, mijn moeder met open deur op de wc zat. Dat is bijna een halve eeuw geleden en een open deur is nog wel even iets anders dan geen deur, maar ze is het niet vergeten.

In het huis waar ik ben geboren, zaten twaalf deuren, heb ik uitgerekend, kastdeuren meegerekend. Die deuren zaten allemaal dicht, op de deur naar de huiskamer en de deur naar de keuken na.

In het begin van de jaren vijftig heeft mijn vader al die deuren een voor een in een andere pastelkleur geschilderd. Toen wij kwamen wonen, waar we wonen, was de route van de 24 net verlegd. Bij het Roelof Hartplein ging hij niet langer rechtsaf richting Ceintuurbaan, maar linksaf richting Gabriël Metsustraat. Dat duurde tot de 24 plotseling verdween. Maar zie, na een jaartje of twintig tijdelijke werkzaamheden ging de Ferdinand Bol weer open en keerde de 24 terug op zijn oude route.

Bij mijn eerste ritje voelde ik me toerist in eigen stad. Wat een opwinding, rechtsaf de Roelof Hartstaat in, geweldig, linksaf naar de Ferdinand Bol, nog mooier! Pas bij de Albert Kwiep kwam het hart tot rust. Ik wou naar het Stadsarchief, maar de halte bleek opgeheven, en dus stond ik ineens op de Munt.

Ik liep terug door de Carlton-galerij toen mijn aandacht werd getrokken door een A4-tje met de foto van een poes: King hem terug wilde hebben, maakte me blij. Een tijdje terug at ik een stukje bij een restaurant waar een poes rondliep die ons werd voorgesteld als Máxima, de koningin van het restaurant.

Maar toen Máxima even later door een enorme hond gegrepen werd en we de dierenambulance moesten laten komen die een bijdrage in de kosten vroeg, kende het restaurant zijn koningin niet meer. Gelukkig kon de zwaargehavende poes na een inzameling worden opgelapt en vond zij als Bikkel een nieuw baasje, ver van dat akelige restaurant. King ga ik binnenkort eens eten. Ik ging het IJsbaanpad af en was het sluisje in de Schinkel overgestoken toen ik ter hoogte van de Pilotenstraat de roep van de koekoek hoorde.

In de verte, want de koekoek roept ­altijd in de verte. De stad zit vol vossen, bevers, bunzings, ooievaars, allemaal dieren die je vroeger nooit zag, maar de mussen zijn er van tussen en de koekoek zwijgt als het graf. Vandaag is alles anders zou ik bijna zeggen. Als kind zat ik vaak op een zeilboot. Die boot lag tussen twee steigers die je bereikte door een lang pad af te lopen dat tussen allerlei houten loodsen door meanderde.

Op de zeilboot tussen zijn twee steigers was het altijd doodstil. En plotseling kwam dan over het water de roep van de koekoek. Enkele jaren geleden begon het me plotseling op te vallen dat ik steeds meer jonge Aziatische vrouwen van kleur over melkwitte kinderen zag moederen. Ze duwden ze voort in karretjes, speelden met ze in het park en fietsten met ze in de bakfiets. Ik vond het opmerkelijk dat deze vrouwen zulke witte kinderen hadden. Ik heb nogal wat witte vrouwen gekend die kinderen hadden met Chinese mannen en die kinderen hadden allemaal iets Chinees meegekregen.

Maar misschien was het omgekeerd wel omgekeerd, bedacht ik. Totdat iemand me vertelde dat de vrouwen niet de moeders ­waren van de kinderen, maar hun oppassen. Ik heb, denk ik, een beetje de neiging raadsels te creëren, ook waar ze niet zijn. Karel van het Reve heeft eens een stuk geschreven, waarin hij ­iemand opvoert die op Sicilië binnen tien minuten drie keer ­iemand tegenkomt die maar een been heeft en daaruit afleidt dat er in Syracuse bovengemiddeld veel mensen met een been rondlopen.

Ik ben die iemand, iemand bovendien die ook nog eens aan het piekeren slaat over de vraag hoe het komt dat er zo veel eenbeners zijn in Syracuse. Ik fietste langs de nieuwe kunstroute op de Apollolaan die net als de vorige uit de koker komt van Rudi Fuchs, een met een hoger ­niveau dus en een prijskaartje, toen ik drie keer achter elkaar werd ingehaald door jongens die een andere jongen op hun bagagedrager hadden staan.

Wat is dit, dacht ik. Een trend, een nieuwe rage, een club? Ondertussen keek ik naar de beelden op de route en voelde heimwee naar de Tinguely, de gouden schildpad en het vliegtuigje van Joost Conijn uit de tijd dat de beeldenroute het nog zonder hoger niveau en prijskaartje stellen moest. Stilte is een zegen. Waar wij wonen is het stil. Wel hoor je af en toe geluiden. Geluiden die ik niet kan thuis brengen, vind ik het leukst. Boven ons wordt iets over de grond geschoven, tenminste zo klinkt het, maar wat?

Het zal toch niet. Niemand schuift toch een paar keer per week een bank over de vloer? Dat doe ik door de filter met een klap tegen de rand van de prullenbak te slaan. Ik heb het haar nog nooit gevraagd. Het duurde lang voordat de koffiepot door pruttelen aangaf dat de koffie klaar was, zo lang dat mijn geliefde vroeg of ik misschien vergeten was water in het reservoir te doen.

Waarop ik haar eraan herinnerde dat ze een keer chili con carne zonder carne had gemaakt, wat uitstekend smaakte overigens. Op gehaktdag maakte mijn moeder macaroni met ham en kaas, een uitheems gerecht in die ­dagen. Op een keer liet de kaas zich maar moeilijk kauwen. Wat kwam, zoals we na een tijdje ontdekten, doordat mijn moeder de papiertjes tussen de plakjes kaas had meegekookt.

Als je Gerard Kornelis van het Reve opbelde, vertelde R. Van het Reve had net zijn Brief uit Edinburgh gepubliceerd en veranderde in razende vaart van de ambachtsman die probeert het Engels onder de knie te krijgen of de wetten van het toneel te doorgronden in de geestige provocateur die hij altijd al was, maar die hij tot dan buiten zijn werk had gehouden.

Maar er is nooit opgeroepen tot een boycot van Reve die in zijn voor- en achternaam veranderde , schreef Wouter van Oorschot ­onlangs in verband met de damesoproep tot boycot van een stijlloze website.

Een ketting kan lang zijn. Omdat we het over vroeger hadden, vertelde Hans een mop die hij van Genna Sosonko had gehoord. De mop ging zo: Het stoplicht bij het Concertgebouw stond op groen, dus ik­ ­begon aan de oversteek, maar bus bleek aan dat stoplicht geen boodschap te hebben en sloeg ­resoluut rechtsaf de Lairessestraat in.

Op mijn rijwiel maakte ik een snelle schatting waaruit ik ­afleidde dat ik onder de achterwielen van de bus geplet zou worden. Om dit te voorkomen, kneep ik in mijn remmen, waarna ik over mijn stuur heenvloog en als door een wonder een redelijk zachte landing maakte tegen twee dames die zojuist het Concertgebouw hadden verlaten.

Toen ik thuis de gehavende ­Lucebert-catalogus opensloeg, was het eerste wat ik zag zijn tekening Gevallen fietser uit Van huis fietste ik op een andere fiets naar een afspraak die me vertelde over een vriend, een oude man met wie het niet goed ging en die niet goed meer wist wie hij was.

In een moment van helderheid had de oude man hem gevraagd, wat hij in zijn leven eigenlijk gedaan had. En van goede wijn.

Op weg naar ramsjwinkel Steven Sterk kwam ik langs Shoebaloo in de Leidsestraat, de schoenenwinkel waar in de ­jaren zestig mijn toenmalige vriendin haar schoenen kocht. De winkel heette toen nog geen Shoebaloo, ze zagen je aankomen, maar De Lange meen ik. Net wat ik zei.

Die zoals altijd, zoals ik wist, een maat te klein ­waren. Bij haar dood liet ze kasten vol te klein gekochte schoenen achter. Steven Sterk had geadverteerd met Leven met Reve: Sinds haar dagboeken wil ik alles van ­Michaelis. Maar eenmaal ter plaatse bleek Steven Sterk op­geheven en te huur.

Van alle hooggeplaatsten in mijn vriendenkring, voorzitters, dijkgraven, eindredacteuren, is de Groot Moefti wel de hoogstgeplaatste. De Groot Moefti is Groot Moefti van Amsterdam Noord en tevens onder het pseudoniem Jan Donkers schrijver van het standaardwerk over Amsterdam Noord, Zo dicht bij Amsterdam, een boek dat om de paar jaar met een nieuw hoofdstuk uitgebreid, herdrukt wordt. Ook vermeldenswaardig is dat de Groot Moefti, die jarenlang ­gedreigd heeft het Centraal Station middels een bomgordel tot ontploffing te brengen, sinds een ritje door het fietstunneltje onder het CS geheel om is.

Enkele weken geleden leidde de GM een paar Amerikanen door de stad. Op de pont over het IJ wees hij hen op het Eye gebouw, wat ze prachtig vonden en daarna zei hij: Dat kon niet waar zijn, die dooie huizenblokken, Koolhaas, nee, de Moefti maakte een grapje zeker? Na raadpleging van Google raakten ze in een architectonische depressie die tot in de kleine uurtjes duurde. Hoe anders was mijn­ ­reactie toen ik een paar jaar geleden ontdekte dat het Frans Otten Stadion dat uitkijkt op onze tennisactiviteiten van Rem Koolhaas is.

Ik had het altijd een tamelijk lelijk gebouw gevonden, een ongeïnspireerde doos met lelijke betonnen uitlopers, maar ineens zag ik de schoonheid van het gebouw, hoe het landschap zich voegde naar de kracht van de architectuur, hoe alles samenvloeide en het geheel oneindig veel meer werd dan de som der delen.

Met een huis vol kinderen keken we tijdens de dodenherdenking naar de twee minuten stilte. Vreemd, dacht ik, kijken naar de stilte. Stilte is toch onzichtbaar, net als de tijd, de wind, de snelheid van het licht. Max Pam schreef dat de twee ­minuten stilte van de dodenherdenking vroeger werden aangekondigd doordat de straatlantarens gingen branden.

Dat was ik vergeten, maar zo was het. Iedereen stond voor het raam of op het balkon op het teken te wachten. En dan werd het stil. Toen al ­keken we naar de stilte. Wat ik niet vergeten ben, was de merelzang die je hoorde. Merels klonken nooit helderder en melodieuzer dan tijdens die twee minuten stilte. Wat ik weer wel vergeten was, is dat je vroeger af en toe nieuwe veters in je schoenen deed. En dat mensen een stukje gingen eten: Een glaasje drinken, hoor je nog wel. Ik doe dat als eerbetoon aan de in overleden dichter Jan Hanlo die ik de jaren voor zijn dood ­regelmatig heb ontmoet.

Hanlo was een wonderlijke man. Hij hield van motorfietsen, Vincents, kon op rijm middeleeuws spreken en droeg op feestjes vaak een gasmasker. Tijdens de Wereldtentoonstelling bij de moderne boekwinkel Bas in de Leidsestraat, in meen ik, waar de wereld tentoon werd gesteld, hield Hanlo een toespraakje, waarin hij een boekje liet zien dat bij de tentoonstelling was verschenen. Maar hij liet het boekje niet alleen zien, hij zei het ook. Van het papier waarop zijn toespraak stond geschreven, las hij voor wat hij deed: Twee meisjes stonden er giechelend een selfie te maken.

Maar Paul de Leeuw was de man niet, dus waarom maakte hij een selfie? Ineens wist ik het. Tevreden fietste ik door naar de kapper, waar alle stoelen bezet waren. Toen de vrouw die voor mij was aan de beurt was, bleek ik aan de beurt.

Zij was hier om haar zoon bij te staan. Ik nam plaats in de stoel van Alies uit Almelo die tijdens het knippen vaak zo gezellig met me praat. Alies keek me even onderzoekend aan en vervolgde toen haar gesprek met de moeder die haar zoon bijstond. En dat het zo kort geknipt is, komt natuurlijk doordat je de kapster niks gezegd hebt.

Maar het staat je goed. Op straat kwam ik Hanneke Groenteman tegen aan wie ik mijn verhaal vertelde. De enkele keer dat ik vroeg de deur uitga, verbaas ik me altijd over de activiteiten die al gaande zijn. De fietspaden zijn vol fietsers, de bakkers in hun ­witte werkkleding pauzeren voor de bakkerij met een beker koffie en een broodje, kappers knippen en de bloemenwinkel die tevens een galerie is met aan zijn wanden bloemstillevens en stadsgezichten, heeft de bloemen buiten gezet.

Of je in een parallel universum terecht bent gekomen. Ik zit in de tram en kijk naar de jonge vrouw aan de andere kant van het gangpad. Ze draagt een uniform met daaronder schoenen die zo glimmend zijn gepoetst als alleen uniformdragers schoenen poetsen kunnen.

Ze ziet eruit ­zoals ik me in de vroege morgen vaak voelde, vroeger. Dit als gevolg van de voorbije nacht, waarin het ene glas het andere uithaalde en het ene café als vanzelfsprekend naar het volgende had ­geleid. Ik hield van de stilte die voorafging aan het moment dat het ­leven in de stad hervat werd. De plotselinge vuilniswagen, een rolluik dat rammelend omhoog ging, de zon die door de wolken brak en de overkapping van het Centraal Station verlichtte.

De jonge vrouw had een vreselijke kater. Hij stond haar goed en ze had nog de hele dag om ermee te leren leven. Toen ik die avond met de laatste tram naar huis reed, zaten er naast mij twee jongetjes die allebei een klein voorwerp in hun hand hielden, een soort rad, dat ze konden laten draaien en dat dan strepen licht liet zien. Met enige regelmaat begin ik kleine verzamelingen. Zo spaar ik sinds een jaar of twee platgereden en bij voorkeur roestige kroonkurken van bierflesjes. Ik heb ze van Amstel en Heineken, van Jupiler, Texels, Grolsch, Argus en van merken die ik door de roest niet kan ontcijferen.

Het aardige van de verzameling is dat hij de blik omlaag dwingt, waar zoals je al snel merkt veel te zien is. De schoonheid van putdeksels is vaak bezongen, maar het is toch anders als je ze in hun natuurlijke omgeving bekijkt in plaats van op een foto. Je vindt spijkers en schroeven en af en toe een platgewalste kroonkurk voor de verzameling, heerlijk ogenblik. Naast kroonkurken verzamel ik naamloze pleintjes. Wat niet eenvoudig is, want wat precies is een pleintje en wanneer is het naamloos?

De straat die je van de J. Coenenstraat naar de Harmoniehof voert, brengt je bij een piepklein en driehoekig parkje, waar het voor jeugdige geliefden goed toeven is. Vanaf het bankje dat zij vrijwel permanent bezet houden, kijk je op een alleraardigst pleintje. Straat, parkje en pleintje heten Harmoniehof wat volgens mij een beetje veel van het goede is, maar of het pleintje in mijn verzameling hoort, ik ben er nog niet uit.

De foto van de haringkar op het Haarlemmerplein die in de haringkar hangt, is een mooi, maar niet helemaal juist voorbeeld. De foto van de Gerard Doustraat gezien vanaf de hoek van de Ruysdaelkade , waar rock- en bluesgitarenwinkel de Plug zetelt, is niet mooier maar wel een beter voorbeeld. Hij hangt op 8b in de etalage. Ze zijn terug, ze zijn terug. Ze scheren weer over de daken en jagen weer hoog door de straten, ze snijden door de lucht en schreeuwen, maar het is niet hun naam.

Dit is het moment om in een niet al te goed opgeknapte negentiende eeuwse buurt, in Pijp, Kinkerbuurt of Helmerskwartier een beetje slordige straat op te zoeken en daar een goede uitkijkpost te kiezen om vanaf de grond het schouwspel in den hoge in de ­gaten te houden.

Negenduizend kilometer gevlogen om terug te keren op een nest in de Nicolaas Beetsstraat of het Bellamypleintje, een paar dagen bijkomen en dan weer aan de slag. Want er moeten eieren worden ­gelegd en uitgebroed en jongen grootgebracht.

In de negentien uur per dag dat er gevlogen wordt, moeten honderdduizenden insecten gevangen worden. De gierzwaluwen vliegt in groepen, en binnen de groep in paartjes, die elkaar in duettoon beschreeuwen, een heerlijk geluid, dat net zo bij de stad hoort als het bellen van de tram. Gierzwaluwen lijken altijd ver weg. Zelfs als ik op vier hoog op mijn balkonnetje in de Bosboom Toussaintstraat stond, leken de gierzwaluwen ver bij me vandaan. En als er een vlak langs me vloog, deed hij dat zo snel dat ik hem niet beter zag dan vanuit de verte.

Tijdens een dodenherdenking op de Apollolaan zag ik eens een gierzwaluw uit de lucht vallen. Gierzwaluw op de stoep, vlak voor mijn voeten. Maar toen ik hem wilde pakken, vloog hij op en landde in een boom.

De Franse dichter René Char schreef een gedicht over de gierzwaluw dat zo begint: Iedere keer als ik de stad in ga, lijkt het drukker geworden.

Meer en grotere groepen worden rondgeleid door gidsen met steeds langere stokken waaraan grote vlaggen wapperen, steeds meer jongelui stuntelen op gehuurde fietsen over de fietspaden, waarop steeds meer mensen maar een potje raak lopen.

Mijn ogen zitten van voren en van ­achteren, bellen helpt niet en je hebt al je stuurmanskunst nodig om zonder schade aan fiets of toerist door de menigte heen te manoeuvreren. Jelka was knap, brutaal en zat op hockey. Toen we van school waren, heb ik haar nog twee keer gezien. De eerste keer was ze op weg naar ­Jeruzalem waar ze iets ging doceren. De tweede keer was in café het Hooischip aan de Amstel.

Ze ­herkende me aan mijn stem. Ik herkende haar omdat ze mij ­herkende. Tijdens de meivakantie hebben we in wisselende samenstellingen steeds een stuk of drie, vier kinderen over de vloer gehad, jongens en meisjes, zo tussen de zes en de twaalf.

Om de een of ­andere reden dacht ik dat kinderen vandaag de dag de hele dag op hun telefoon zaten te kijken en nauwelijks een woord met elkaar wisselden, maar niets bleek minder waar. Ze zaten gewoon urenlang te monopoliën of te hartenjagen en over de spelletjes te hakkentakken, heel herkenbaar allemaal. Af en toe kwam een moeder er een halen of brengen en dan hoorde je nog eens wat, want, dat moet gezegd, over hun privéleven ­waren de kinderen niet erg mededeelzaam.

De moeder van Manuel 11 vertelde over hun verhuizing van de Jordaan naar Nieuwendam en over de eerste keer dat ze haar zoon na de verhuizing van school kwam halen, zijn oude school in de Jordaan. Maar al wie er uit school kwam, geen Manuel, en bellen kon ze hem niet, want hij had geen telefoon. Dodelijk ongerust was ze tenslotte naar huis gereden. Waar Manuel al op haar zat te wachten. Hij kent zijn stad, Manuel, zelfs de stukken waar hij nooit geweest is. De moeder van Nathan 6 vertelde dat haar zoon plannen had om een brug over de Atlantische Oceaan te bouwen, van Zeeland naar New York.

Geen geringe ­ambitie voor een zesjarige. Hij had al becijferd hoelang het rijden was en hoeveel hotels er komen moesten onderweg. Intussen was er een einde gekomen aan een potje ­Monopoly en Rana zei: Om mijn geliefde te verrassen had ik op de Haarlemmerdijk een piepkleine gouache ­gekocht van Jaap Hillenius, de schilder die in , op de Willemsparkweg meen ik me te herinneren, tragisch aan zijn eind kwam toen hij werd overreden door een tram.

De gouache toont blije vlekken die half doorzichtig over elkaar heen schuiven en zo de lente zichtbaar maken. Terwijl mijn aankoopje werd ­ingepakt, raakte ik aan de praat met een schilderes die mooie kippenschilderijtjes maakt.

Er was ook een boek van, zei ze, en dat boek liet ze me zien. Toen ik het doorbladerde, werd mijn aandacht ­getrokken door een schilderij van een onderzeeër. Als miljonair had hij toen het goede voorbeeld kunnen geven door een eerste ton beschikbaar te stellen, maar ja, hoe word je miljonair? Door zuinig te zijn. En zuinig was hij, de columnist, zo zuinig dat Heineken hem een keer had opgevoerd in een advertentie, waarin gesteld werd dat hun bier nu zo lekker was, dat zelfs de ­columnist in kwestie wel een rondje geven zou, maar… Op dat moment viel de schilderes me in de reden en zei dat Maarten van Rossem niet de onderzeeër, maar haar schilderijtje had gekocht.

Jammer voor de onderzeeër, leuk voor het schilderij. Om de een of andere reden bleek ze die lach nog niet te hebben. Enige tijd geleden stond de postbode op de stoep met een doos die negentien deeltjes Bulletje en Bonestaak bleek te bevatten.

Ik ben altijd gek op Bulletje en Bonestaak geweest. Ik houd van de droge precisie van de tekst van A. Wat mij ook bevalt, is dat avonturen nog niet afgelopen zijn als ze afgebroken worden en ieder nieuw avontuur dus op een volstrekt willekeurige plaats lijkt te beginnen. Het mooiste avontuur vond ik in boekje negen, waarin Bulletje en Bonestaak op een onbewoond ­eiland zijn beland en kennis hebben aan de menseneter Dinsdag, die niet alleen op verbazingwekkende wijze lijkt op Oude Hein maar net als Oude Hein verbazingwekkende verhalen kan vertellen.

Ik herinnerde me het avontuur vrijwel plaatje voor plaatje. Wat ik me afvraag: Als je naar een tennistoernooi gaat, weet je wie je gaat tegenkomen, maar toch blijft het vreemd als je op de Valentijnkade, waar je nooit eerder bent geweest, ineens allemaal bekenden ziet.

Hé, daar komt Maarten Moll aan gefietst, en daar zal je Henk Spaan hebben, terwijl Janneke van der Horst ­binnen blijkt te zitten. Is het een Parool-toernooi misschien? Nee, het is een toernooi van Propria Cures, u weet wel, het studentenblad sinds In de tijd dat ik redacteur van Propria Cures was, werd er niet aan tennistoernooien gedaan.

Als de redactievergadering in het fietsenhok van Drukkerij Van Campen erop zat, liepen wij rechtstreeks naar het koffiehuis naast het stadhuis en gingen aan het bier, om een uurtje later in de speelhal op de hoek van de Oudezijds en de Damstraat te belanden. Onze favoriet daar was de Gator, een flipperkast waarop heroïsche duels zijn uitgevochten.

Mensje van Keulen stond haar mannetje, Tim Krabbé was denk ik de beste, Koen Koch de stilist en Peter Hagtingius zou later nog wereldkampioen worden. En nu tennissen we dus en Maarten Moll werd kampioen. Op de terugweg belandden mijn geliefde en ik in Café Koosje waar we ons ouderwets bezondigden aan bier en wijn en bitterballen.

Een tijdje later, op de tramhalte, stapten we tegelijk in met een dame die een peddel bij zich had. Ik liep eens met mijn racket onder mijn arm over de Oudezijds Achter, toen een donkere schone die voor haar kamertje te swingen stond mij wenkte.

Theo die als kind Kleine Theo heette om hem te onderscheiden van zijn vader, Grote Theo, die door neefjes en nichtjes ome ­Dorus werd genoemd, kent Oost zoals ik West ken, op zijn duimpje. Hij weet precies waar een telefooncel heeft gestaan, of een transformatorhuisje of een stadsklok.

Op het Krugerplein stond een transformatorhuisje dat zich als pannenkoekenhuisje had vermomd. Ook was er een fontein. We waren op weg naar de straat waar zijn ome Bennie had gewoond, de oom met wie zijn vader een steenhouwerij had gedreven. Nadat we de Ringvaart waren overgestoken, belandden we in een stil straatje waar een man driftig zijn stoep stond te vegen. Voor zijn huisdeur stonden naast elkaar twee fietspompen, achter het raam zat een prachtige poes.

De twee fietspompen waren nodig om er een functionerende fietspomp van te maken en de poes had een hartkwaal. Ook ons huis kent vele kamers.

Zes om precies te zijn, de riante hal meegerekend. In deze hal hangt tussen tekeningen van Simon Vinkenoog en Remco ­Campert, schilderijtjes van Pam Emmerik en Han Bennink en een polaroid van Gerard Reve die zijn hoed opzet of juist afneemt, dat kun je op de foto niet zien, een zwart-witfoto waarop een volslanke vrouw in een witte jurk hand in hand met een man in een grijs pak van ons wegloopt.

Bezoekers vraag ik altijd of ze de vrouw herkennen en dat doen ze. De achterkant van Marilyn Monroe blijkt net zo herkenbaar als Marilyn Monroe van voren. Nu hebben velen van ons de achterkant van Marilyn Monroe wel eens gezien. In Niagara bijvoorbeeld wordt die achterkant uitgebreid in beeld gebracht, in volle werking. Maar wie kan zeggen dat hij ­Samuel Beckett wel eens van achteren heeft gezien? Zoals je in de man met de tas en de regenjas die je vroeger wel door de stad zag scharrelen altijd Simon Carmiggelt herkende.

Een tijdje terug fietste ik door de Vijzelstraat in de richting van de Munt toen ik aan de overkant een goede vriend langs het Stadsarchief zag lopen. Hij ging dezelfde kant op als ik. Ik zag hem dus op de rug, maar dat hij het was, leed geen twijfel. Zoetendaal heeft het over openingen, poorten, sleuven, spleten, kieren, een veelzeggende opsomming die bedoeld lijkt om Breitners liefde voor stegen te verklaren.

Maar misschien ook niet. Breitner hield van stegen, zoveel is duidelijk, zoals ik ook van stegen houd. De smalle reep licht hoog boven je, de V van lucht aan de twee uiteinden van de steeg, de permanente schaduw, de altijd aanwezige geur van pis, het heeft iets, waardoor het misschien wel de stegen zijn die een stad tot een stad maken.

In stegen valt altijd iets te beleven. Je wordt er beroofd en hoeren oefenen er hun handwerk uit, er worden drugs gedeald, er wordt gepist, gespoten, gevreeën en ­gevochten en als je mazzel hebt, is er ergens halverwege een verscholen deur die toegang geeft tot een houten trap die naar de verdieping leidt waar een oude Indische dame in bontjas op haar troon eenmaal in de maand audiëntie verleent aan de Indische jongens uit de buurt.

Ze had magere handen en droeg ringen met grote stenen aan al haar dunne vingers. Ze had grote ronde ogen en rook naar de specerijenwinkel. Als de rituele begroeting met mijn vriend ten einde was, reikte ze mij haar smalle hand die ik voorzichtig drukte, waarna wij haar achterlieten op haar troon en de steeg uitliepen naar de Geldersekade om daar aan te leggen bij een klopcafé.

Altijd op een vrijdag, het hele weekend nog voor ons. Ik zat buiten, want hoewel de dag voorbij was, was het lekker weer. Toen ik naar binnen ging om iets te bestellen, stond er een oude man aan de bar die bezig was hem stevig te raken.

Een moeder en dochter sloegen het met belangstelling gade. De dames vielen bijkans in katzwijm van verbazing. Brutaal geworden bogen ze zich vervolgens over zijn jeneverkelkje op de tap. Nadat de man dat had bevestigd, zei ze dat ze dat niet hadden in het Zuiden. Ik had inmiddels mijn biertje gekregen en ging weer buiten zitten, waar de oude man die Willem bleek te heten zich niet veel later bij me voegde.

Ik schoot in de lach. Maar nu ga ik naar huis. Daar ben ik nog voor het eerst beroofd. Door de jongste zoon van de Tokkies. Van al mijn voetbalplaatjes. Mijn vriend de schaker, die geen schaakvriend is en met wie ik nog in de derde klas van de lagere school heb gezeten, de huidige groep 5 als ik me niet vergis, waar hij zich overigens niets van kan herinneren maar ik wel, vertelde me dat hij eens met een schaakofficial vanuit het Centrum naar West was gereisd, met de Kikker dus of met de Blauwe Tram, voor een schaakevenement dat plaatsgreep in het gebouw van de Wereldbibliotheek bijvoorbeeld of op het stadhuis van Sloterdijk, waar mijn ouders in de meidagen van ­getrouwd zijn, maar dit geheel terzijde.

Daar aangekomen had de official lacherig verteld dat hij vanuit de tram een winkel had waargenomen, die zich het Opklapbeddenpaleis noemde. Algemenen hilariteit onder het schaakvolk.

Maar inderdaad, het valt niet te ontkennen, in de nabije omgeving van de Admiraal De Ruijterweg had je de Stoffenprinses, de Gaskoning en de Stofzuigerkoning ze zitten er nog , een Beddenpaleis en de ­Tapijtkeizer. En in de Elegaststraat woonde bovendien de Sjah van Barbarber.

Barbarber was een langwerpig tijdschrift, dat vanaf werd geredigeerd door K. Brands en Brands was de Sjah van Barbarber. Brands heeft op een velletje ­boterhampapier eens een tekening van Okkie Pepernoot overgetrokken, en dan schreef hij ook nog Het laatste kwatrijn: Een sjah, een koning, een keizer, een prins, een prinses en een paleis, wat is dat toch met de Admiraal De Ruijterweg?

Naast mij klonk het antwoord: In de Halvemaansteeg was ik wegens trek een dönerzaakje binnengelopen.

Aan het ­tafeltje bij het raam zat een grote witte man een enorme kapsalon weg te werken. Niet helemaal politiek correct leek me, maar het smaakte hem er niet minder om. Nadat ik mijn keus had gemaakt, wendde ik mijn blik naar de kast met gekoelde dranken.

Alleen maar limonade, stelde ik vast. Nou ja, halal, niks aan te doen. Van de Halvemaansteeg liep ik over de Kloveniersburgwal naar de Nieuwmarkt, waar op de kermis het vijftiende en laatste door Geert van Tijn georganiseerde KroegKorenConcours plaatsvond. Dat jureren is een aangenaam karweitje. Je luistert naar vrolijk gezang en je kijkt af en toe naar Geert die onder zijn hoge hoed gelukkig zit te wezen, vlak voor je neus zie de leuke ­dames van het Zeedijkkoor welhaast ongemerkt van dame in hoer veranderen en intussen houdt Van Luyn alles bij om er een spitse prijs­uitreikingsconference over te houden.

Nadat we voor Geert met zijn ­allen Aan de Amsterdamse grachten hadden gezongen, kregen de juryleden de traditionele fles ­korenwijn. Door de buurt liep ik naar de tram naar huis. De meisjes in hun neonverlichte kamertjes ­hadden hun vingers in hun poes of ­keken op hun telefoon.

En hopsa heisasa, want koude voeten, wintertenen, al dat kil en koud verdriet, heb je in de meimaand niet. Dat hield in dat de kinderen in de klas die lid waren van de AJC vrij kregen om in optocht door de straten te lopen, waarbij ze op trommels sloegen en rode vlaggen mee droegen.

Hoewel ie van de toffelemonen was, vond ik hun optocht van die met broodjes en sinaasappels ­opgetuigde stokken toch leuker. Net als mijn moeder, die als kind bij de padvinderij wou, wat natuurlijk niet mocht, stel je voor, een kind uit een keurig SDAP gezin bij de padvinderij!

Uiteindelijk heeft ze even bij de Rode Valken of zoiets gezeten. Heel even maar, want toen ze zestien was, ontmoette ze mijn vader en met hem ging ze lekker kanoën. Het gekke is dat ik tegenwoordig gek ben op de AJC en uit dien hoofde een trouw lezer ben van Het gele blaadje, een blad van en voor oud AJC-ers van Nederland.

In het zojuist verschenen 1 mei-nummer staat een verhaal van ­René de Cocq die er samen met een vriend in slaagt een 78 toerenplaat van Little Richards Tutti Frutti bij volksdansles binnen te smokkelen. Toen de volksdanslerares even weg was, legden ze de plaat op de Trio-Track en: Als door een wesp gestoken vloog Jos de gymzaal in, wit van drift, sissend: Zijn jullie nou helemaal gek geworden.

De winkel die beloofd had om tien uur open te zijn en waar ik om ik om tien uur voor de deur stond, bleek nog gesloten. Waarop ik tot een kleine wandeling besloot die mij na enkele stappen al voor de etalage van een postzegelwinkel bracht. In deze etalage vallen behalve postzegels vaak kleine zilveren voorwerpen te bewonderen als snuifdozen, ­sigarettenkokers, roomkannetjes.

Deze keer stond er een niet onaardig peper en zoutstel. Wat er ook stond, was een bakje vol priegelige muntjes. Vier keer geluk voor een tientje, een aanbod dat je niet kunt weigeren. Groot geluk doorstroomde mij toen ik even later met mijn vier halve centen weer buiten stond, want daar, op het fietspad fietste een leuke jonge vrouw voorbij die in een hand een grote tak bloeiende perenbloesem meevoerde.

Fluitend liep ik naar het dichtstbijzijnde boekenkastje, waar het Schrijversprentenboek Jacobus van Looy al op mij te wachten lag. Thuis bekeek ik de plaatjes en ik las deze uit daterende tekst van Van Looy: En plotseling, met die stem eens dichters die de woorden zo lief heeft, zei hij: In de Spiegelstraat gaat het snel bergafwaarts. Was het tot voor kort een straat vol mooie antiekwinkels en ­galerieën, nu worden er hamburgers verkocht en namaakkunst in ­namaak gouden lijsten.

In de etalage van de buurman staat een enorme afdruk van de ­foto waarop Sophia Loren tijdens een etentje schuins in het decolleté van Jayne Mansfield zit te ­loeren. Ik word altijd vrolijk als ik de foto zie en ik ben niet de enige. De ene toerist na de andere houdt de pas in om zich breed grijnzend voor de foto te laten fotograferen, waarna ze hun weg vervolgen.

Ik voeg me in de stroom, en loop mee in de richting van het Rijksmuseum. In de passage onder het museum klinkt een strijkkwartet. Een man blaast op een saxofoon, maar Sonny Rollins is hij niet. Aan de andere kant wachten de letters die tezamen Iamsterdam vormen en om de een of andere reden zijn uitgegroeid tot een van de grote attracties van de stad.

Terwijl ik het plein oversteek, denk ik aan de keer dat het ­gerucht door de stad ging dat de duizenden narcissen op het plein geplukt mochten worden. Wat toen ook gebeurde. In drie tellen was het hele grasveld kaal. In de Van Baerlestraat ga ik naar binnen bij boekhandel Premsela, sinds een maand failliet. Ik ga nog in zaken op mijn oude dag. Ik houd van de geur van ­gravelbanen in de morgen.

De tennisbanen van mijn jeugd lagen aan de Zuidelijke Wandelweg. Vanuit de Bos en Lommer was dat een heel eind fietsen. Eerst de eindeloze Hoofdweg af, waar de zon altijd leek te schijnen, dan om het Surinameplein heen en de Overtoomse Sluis over. Aan de andere kant van het ­water stond een kerk, die later plaats moest maken voor Autopon, dat in Volkswagens deed. Een eindje verder op de Amstelveenseweg was een manege waar het op woensdagmiddag druk was met paarden en kinderen.

Als mijn moeder me bracht, en dat deed ze in het begin, vroeg ze altijd of ik niet op paardrijden zou willen. Dat wilde ik niet. Lijken die kinderen je niet leuk? Tenniskinderen waren al erg genoeg.

Ze vroegen je wel waar je woonde, maar als jij zei dat de Esmoreitstraat in west was, hadden ze meteen geen belangstelling meer. Toen ik alleen naar de tennisbaan mocht, ging ik, als ik niet naar school hoefde, vaak vroeg in de ochtend. Het was dan stil op de Wandelweg. De voetbalvelden ­lagen er verlaten bij, maar op de tennisparken werd altijd ­gespeeld.

Op het pad dat door het struikgewas naar ons clubhuis liep, hoorde ik het zachte geplof van de ballen en kikkergekwaak daar doorheen. Op weg naar hun boerensloot. Ik liep langs de Artis en al ­lopend keek ik naar de mensen die door de Artis liepen. Ze hadden hun ronde ­gemaakt, van de apen, naar de leeuwen, langs de olifanten en ­giraffen, naar de zeeleeuwen en de pinguïns, en nu waren ze, hoewel ze nog lekker door de Artis liepen, op weg naar de uitgang.

Naast me zat een man op zijn fiets. Naar de ­Plantage waar je naar de lepelaars kunt ­kijken. De meeste lepelaars stonden op hun eiland op een kluitje bij elkaar.

Een stuk of drie zaten te broeden op een door mensenhanden gemaakt nest in een knotwilg. Drie anderen liepen te snavelen in het ondiepe water dat hun eiland omringt. Behalve lepelaars liepen er kemphanen, patrijzen, een ­kievit, een paar kluten, twee ooievaars.

Aan mijn kant van het hek was een fontein die op gezette tijden water spoot. Ik heb een tijd staan kijken en liep toen zonder om te kijken weg. Als je de Artis binnenkomt, ­herinnerde ik me, bekijk je ieder dier en alleen al de aanblik van olifanten in de verte vervult je van ­opwinding.

Als je niet de ronde maakt, maar dezelfde weg terugneemt, keur je dezelfde olifanten geen blik waardig. Door de Roeterstraat liep ik naar de Sarphatistraat en daar, vlak voor de hoek met de Weesperstraat zag ik vijf struikelstenen ­oplichten in de zon.

Vermoord maar niet vergeten. In de herfst van anderhalf jaar geleden liep ik langs de Amstel en de Hermitage. Na een korte aarzeling, ik durf het haast niet te zeggen, maar ik heb het niet zo op de Hermitage met al dat tsarengedoe en hun ­eieren van Fabergé, ging ik de poort door en betrad de binnenplaats.

...

Je bent nu op een punt in je leven dat je waarschijnlijk al vaker hebt meegemaakt dat dingen toch wel loslopen. Het komt dus goed, je kunt rustig aan doen. Je hoeft je niet anders voor te doen dan je bent om leuke mensen tegen te komen.

En dat geldt zeker als je op zoek bent naar een vriendschap die beklijft. Ook als je niet graag onbekende mensen aanspreekt kun je op allerlei plekken nieuwe toekomstige vriendinnen ontmoeten. Een beetje geluk en chemie doen, net als in de liefde, wonderen. Jezebel en Real Simple. Noraly King - www. Hoi, ik ben Noraly! Naast hier op vriendinnenonline schrijf ik ook op mijn eigen blog  www.

Verder hou ik enorm van mooie vondsten en nog meer van mooie foto's. Ik smul, geniet met volle teugen en moeder maar wat aan. Welkom op het grootste vriendinnenplatform van Nederland. Je kunt hier op een gemakkelijke en vrijblijvende manier nieuwe vriendschappen sluiten en jouw vriendenkring vergroten. Inloggen Registreren Wachtwoord vergeten. Dit is misschien een beetje confronterend. Maar ik zal eerst gaan. Wanneer heb je voor het laatst een echte nieuwe vriend of vriendin erbij gekregen?

Niet een lieve, goede kennis of een erg leuke collega. Maar iemand die je vannacht zou durven bellen als er iets is. Een beste vriend of vriendin. Ik ben inmiddels de dertig al een tijdje geleden gepasseerd en bij mij is dat…. Lees meer over deze blogger. Reacties 52 Toon commentaar.

Je bent nog niet ingelogd. Log in of maak een nieuw account om een reactie te plaatsen. Reageren zonder inlog kan ook: E-mail   verplicht, wordt niet getoond. Ik ontvang ook graag de nieuwsbrief van vriendinnenonline. Lees ook Vriendinnen ver weg? Zo houd je contact! Genieten van de tuin. Jullie seksleven spannend houden doe je met deze tips. Ik trof een man die voor zijn huis op een bankje naar het water zat te kijken. Of hij wist wat voor het huisjes het waren, wilde ik weten.

Dat wist hij niet, maar hij wist wel dat in het huisje aan de Amstel-­kadekant een theatertje zat waar een buurtbewoner af en toe voorstellingen voor kinderen organiseerde en met Kerstmis een kerstverhaal voorlas. Op dat moment zag ik dat er in de deuropening van het huis twee kleine kinderen achter een tafeltje zaten met wat spulletjes erop. Bleek dat Aike 6 en Anne 4 die middag een tattooshop hadden geopend, waar je tegen betaling een stempel op je arm kon laten zetten.

En kleren pakt hij wel aan, maar ze aantrekken doet hij niet. In het café waar ik kom sinds ik weer in een café kom, was ik al een tijd niet geweest. Dat kwam doordat Rina zich niet meer achter de bar liet zien. Waarmee meteen de vraag rijst of je een café bezoekt voor het café of voor de barjuffrouw.

Staat er een man achter de bar, dan is de zaak wat mij betreft duidelijk. In café de Ster kwam ik voor het café, net als in de Schouw en de Broadway Bar.

Maar als het om de Cotton Club gaat, wordt het al ingewikkelder. Geweldig café, de Cotton Club, maar juffrouw Annie was ook niet mis. En ik denk niet dat ik zeven jaar in Emmelot was blijven hangen als Jossie en Marie er niet de scepter hadden gezwaaid.

Rina bleek weg geweest om van een kleinkind te bevallen. Maar nu was ze er weer en om het te vieren bood ik haar een colaatje pils aan. Twee pilsjes later raakte ik aan de praat met een Amsterdammer die vertelde dat hij vorig jaar in Kusadasi was geweest. Het was er 45 graden in de schaduw, zodat we meteen de eerste dag al van top tot teen verbrand waren, als kreeften ­waren we, en het enige wat we toen nog konden doen, was op die kamer blijven, waar het ijskoud was, van de airco, zodat je de hele dag onder een dun dekentje op bed lag, terwijl er een enorme zandstorm stond, van dat dunne gemene zand dat in je eten gaat zitten, dat trouwens niet te eten was, ­Kusadasi, praat me er niet van.

Nee, dit jaar ga ik lekker vissen. Op de hoek van de ­Amstelveenseweg en de Laan der Hesperiden die vroeger Stadionplein heette als ik me niet vergis, zat een groot café waar het op de zondag heel druk was.

Het zal café Het Stadion of iets dergelijks hebben geheten. Nu zit er Mr. Sam met een leeuw voor de deur. Het was een zomerse dag en een eindje verderop zat in de vensterbank die ze tot bank had omgetoverd een jonge vrouw half liggend een bord soep te lepelen. Ik keek naar het Olympisch Stadion en bedacht dat er inmiddels alweer een hele generatie is opgegroeid die denkt dat het stadion er altijd zo heeft uitgezien.

Een deel van de generatie stond op een veldje naast het stadion ­fanatiek een onduidelijke sport te beoefenen. Op de Jan Wilsbrug keken twee vrouwen vertederd naar een meerkoetennest vol jonge meerkoeten en vanaf de eilanden in de Schinkel woeien de zwemgeluiden me reeds tegemoet. Tot voor kort loste je op als in zoutzuur als je in de Schinkel viel, maar nu is het weer zwemwater en op mooie dagen worden de eilandjes uitbundig bezet door kinderen tot een jaar of zestien die lachen, flirten, duwen, duiken, zonnen, zwemmen.

Vorig jaar zag ik zes meisjes uit groep zeven hand in hand van de steiger springen. Nu zijn ze, nog even, van groep acht. Ik liep over de kermis die net bezig was open te gaan. Langzaam schoven de rolluiken van de ­attracties omhoog en tevoorschijn kwam de kraam die er precies zo uitzag als toen hij gisteren dichtging. De slager of de visboer moet zijn uitstalling elke morgen in de vitrines leggen, maar de kermisklant laat de pluchen beren en tijgers en grote roze honden ­gewoon hangen of op de toonbank staan en gaat de volgende middag verder waar hij gisteravond was gebleven.

Hoewel er nog geen muziek was, zaten de twee verveelde meisjes van de popcorn al op hun eerste klant te wachten. De griezelige slingermachine die naar de naam Booster luistert, draaide driftig oefenrondjes.

Alles ziet er anders uit op de kermis van tegenwoordig, maar veel is toch hetzelfde gebleven. Een schiettent zag ik niet, maar er werden zuurstokken verkocht en nougat verkocht en er was een Oud Hollandse Oliebollenkraam. In het beginnersachtbaantje klonk het eerste gegil, en daar had je de muziek, kermismuziek!

De zweef is verdwenen, maar in de moderne variant zat een moeder met haar zoontje in een lichtblauwe olifant net zo opgetogen te kijken als wij dat deden met onze dochter in de draaimolen.

Toen ze zes was zou ze met alle geweld naar het Spookhuis. Wij in de rij, kaartje gekocht, in het wagentje gestapt en het Spookhuis binnen gereden, waar ze van het eerste de beste skelet zo verschrikkelijk schrok, dat ze nog maar een ding wou, weg van hier, naar huis. Ze is als de Venus van Botticelli met dat verschil dat ze niet bloot op een schelp staat, maar op een bankje zit en schuine ogen heeft.

Ik probeer een boek te ­lezen, een boek over het jongensgevoel en het eten van sinaasappels. Ik vind het boek veel beter dan ik het tweeënvijftig jaar geleden vond, maar toch kan ik mijn gedachten er niet bij houden. Ze gaat gekleed in een soort vest dat bij elkaar wordt gehouden door een ceintuur en is een en al been.

Als ze op haar telefoon kijkt, laat ze een besmuikte glimlach zien die soms overgaat in een brede glimlach, in een binnenpretje of een ingehouden lach. Regelmatig doet ze haar haar achter oor of schikt ze haar pony. In haar linkeroorlel zit een zilveren oorbel waar ze af en toe aan draait, terwijl ze met haar tong iets tussen twee tanden vandaan probeert te krijgen.

Ze is 23, besluit ik, en natuurlijk heeft ze allang gezien dat ik doe alsof ik lees, maar dat ik in werkelijkheid naar haar zit te kijken. Ze slaat haar benen over elkaar en bekijkt haar ogen in de spiegel van haar telefoon. Met de buitenkant van haar gebogen wijsvinger veegt ze langs haar neusvleugels en dan haalt ze een wenkbrauwpotlood tevoorschijn. Als ze haar lippen in de lippengloss gezet heeft, bergt ze alle spullen op en schudt haar pony. Wat ik al vreesde, blijkt waar. Als een gemeenteklok eenmaal stilstaat, is het einde nabij.

De klok op de hoek van de Beethovenstraat en de Stadionweg die zo lang op tien over acht heeft gestaan, is verdwenen. De paal waar hij op stond, staat er nog, een beetje verdwaasd, als een grutto in het vroeg gemaaide gras. Op de hoek waar de paal staat, kon je op zoele zomeravonden van lang geleden vaak een kleine maar opgewonden samenscholing treffen.

Het middelpunt van de ­samenscholing was een schone op een scooter, die zich alle belangstelling graag liet aanleunen, de schone meen ik.

Haar leuke zusje heette Vivian. Vivian kende ik van de tennisbaan. Vivian kon niet tennissen, maar onder haar tennisrokje droeg ze petticoats in zeven kleuren. Om de een of andere reden maakt dat vergevingsgezind. Vivian en haar zusje woonden in een enorm appartement, dat uitkeek op de gemeenteklok. Ik heb daar voor eerst een voetbalwedstrijd op tv gezien. Nederland-Duitsland, of omgekeerd, dat weet ik niet meer. Op een keer stond ik voor de reusachtige boekenkast met een scheef hoofd de titels te lezen toen haar vader in het voorbijgaan liet weten dat ik uit de kast mocht­ ­lenen wat ik wou, als ik de boeken maar weer terugbracht.

De vader was impresario en ­beroemd ­geworden door bij het Centraal Station op een treinstel een opgezette walvis tentoon te stellen. Je kon erin, in de walvis. Door zijn wijd opengesperde ­kaken betrad je zijn binnenste, waar het stonk en niets te zien was. Maar je was wel in een walvis ­geweest, en wie kon je dat nazeggen, behalve ­Jonas dan.

Ik denk dat er geen straat in Amsterdam is die zo vaak van naam verandert als de Ceintuurbaan: We zaten bij Par Hasard onder de bomen en keken de Ceintuurbaan af, die hier inderdaad Ceintuurbaan heet. Er fietste een man voorbij met een bas op zijn rug en in de bocht naar de Ferdinand Bolstraat passeerde de 24 de Terwijl een meisje onze friet kwam brengen, met een biertje en een glaasje wijn erbij, kwamen er uit het studentenhuis dat boven het café ­gevestigd is een heleboel jeugdige personen tevoorschijn die zichzelf een leuke avond beloofd hadden.

Ze hadden er zin in, dat zag je aan alles. In de bocht van de Ferdinand Bol passeerde een 24 een 24, een man op een fiets reed banjospelend voorbij, terwijl de zwangere vrouw tussen tafel en bank vandaan probeerde te komen. Hij rekende af en hand in hand liepen ze richting Sarphatipark. Toen het visje soldaat gemaakt was, gingen wij ook. In de bocht van de Ferdinand Bol passeerde een 24 de Langs het Jollenpad reed ik naar de plek waar ik een rij huisjes wist te staan, direct aan het water, met voor de deur een tuin en een lange steiger.

Wij gingen daar regelmatig op bezoek. Tante Ans zat aan een laag tafeltje en sprak als Sint Franciscus met de mussen die in kleine groepjes samendromden aan haar voeten.

Af en toe waagde een mus zich op het tafeltje en de brutaalste onder hen zaten haar in het haar of pikten een broodkruimel tussen haar lippen vandaan. Tante Ans had twee dochters van wie ik de namen was vergeten.

Bij de huisjes aan het pad die onveranderd leken, stond een al wat oudere vrouw. Ik legde uit waarom ik niet verdwaald was, waarop zij vroeg of ik de naam wist van de mensen waar ik als kind op bezoek kwam.

Tijdens mijn biertje en een onvergetelijke portie ossenworst raakte ik aan de praat met een vrouw die vertelde dat ze eerst rechten had gestudeerd en toen onderwijzeres was geworden.

Tegen de kinderen zei ze altijd: Ik heb een vriend met een ­auto. Als hij in zijn auto rijdt en mij ziet fietsen, komt hij me achterop, draait zijn raampje open en roept iets als: Een keer, we reden in de Hondecoeterstraat ter hoogte van de ­inmiddels gesloten Melkhandel waar ze zulke lekkere broodjes verkochten, dreigde het lelijk uit de hand te lopen. Mensen in de winkel kozen partij voor mij en voor de fiets tegen de auto en zijn bestuurder, waarna enkele stratenmakers zich solidair verklaarden.

In de tram gaat het ook. Ik wist dat zij jou zwaaien ging. Op brug over het Amstelkanaal staat op iedere hoek een huisje met een pannendak. Als je de Schilderskade af komt in de richting van de Amstel, zie je dat het in eerste huisje True Beauty is gevestigd, een skin care center. In het huisje aan de overkant zit een meneer aan een grote tafel met een laptopje erop in zijn eentje Mise en place te wezen. Toen ik als jongen op de banen bij de Apollohal tenniste, zat hier een sportwinkeltje.

De man van het winkeltje bespande tennisrackets, met nylon en met kattendarm, en dat deed hij zo goed, dat je als je met een door hem bespannen racket speelde niet verliezen kon. Verder dan het vervangen van een of twee gesprongen snaren kwam ik niet. Maar dat ze door hem waren vervangen, hielp al. Het mooie van Pizzeria San Marco en is dat je je pizza ook met de boot kunt afhalen.

Of dat ook gebeurt, vroeg ik aan de Italiaan die in het keukentje voorbereidingen trof voor het dagelijkse pizza bakken, maar omdat hij de vraag niet begreep, kon hij geen antwoord geven. Het glas nooit vol, maar ook niet leeg, en zonder al te veel te zeggen. Streepjes op een bierviltje hielden de score bij. Af en toe bracht de barkeeper de telefoon en zei: Het glas werd vaker bijgevuld dan het kannetje, zodat cola met jenever van cola met ­jenever langzaam veranderde in jenever met cola en van jenever met cola in jenever.

We rookten filtersigaretten en mijn vriend had zijn zonnebril opgehouden. Van tijd tot tijd namen we een biertje om het weg te spoelen. Dat ­betekende dat hij iets gewonnen had met het paard waarop hij had ingezet in café Cramm op de Nieuwendijk. Maar straks was nog ver en naar Cramm kon altijd nog. Voorlopig zorgde de zon die voor de deur lag en aan de ruit hing nog voor zoveel licht dat van verkassen geen sprake kon zijn.

De gelukbrengende ­halve centen, zoals ­verkocht door de postzegelwinkel bij mij om de hoek, kosten twee euro vijftig per stuk, maar voor een tientje koop je er geen vier, zoals ik schreef, maar vijf. Plus dat geluk dus.

Aan de wand, tussen de duizenden postzegelalbums, hing een foto van Parnassus in een vorig bestaan. Het oude postkantoor in de Gerard Terborgstraat, dacht ik, bijna goed, maar toch fout, want het was het voormalige hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds. Ik kwam er graag. Ik was dol op de rijen voor al die loketten, ­loketten voor brieven, loketten voor pakjes, voor postzegels en ­filatelie, voor aangetekende stukken, de postgiro en poste restante, en het leukst van allemaal, voor telegrammen.

Ik stuurde vaak voor de lol een telegram om het in gedachten te volgen op zijn avontuurlijke reis. Er stonden ook tafels waaraan je plaats kon nemen om een brief te schrijven of zomaar wat te zitten. Het viel niet te ontkennen. Weer op straat raakte ik in gesprek met een jongetje met een masker dat hem als hij het opzette in Zorro veranderde. Toen ik het poortje naar de binnentuin binnenging, rende hij naar zijn moeder en riep: Ik wil niet opscheppen, maar mooi dat ik wel een van de weinige mensen ben die ­zowel Lubbert van Gortel als Drika hebben gekend.

Dat komt doordat ik een op een personeelsfeestje ben geweest waar ze allebei optraden. Het feestje vond plaats op de Bep Glasius, het vlaggenschip van Rederij Koppe die zijn schepen achter het Centraal Station had liggen en kantoor hield in het inmiddels verdwenen Storkhuisje. Op dat feestje kwamen ze de loopplank over als Henk Jansen van Galen en Annie Palmen, maar al tijdens het schutten in de Oranjesluizen hadden ze zich verkleed als Lubbert en Drika, dit wel zeggen als namaakboer en namaak vissersvrouw in verzonnen klederdracht.

Ik zei dat ik een groot fan was en altijd naar de Boertjes van Buuten keek, maar ik geloof dat ze mij niet erg geloofden. Ik geloof dat ze zelfs dachten dat ze in de maling werden genomen, maar ik meende het.

Maar als er een nieuwe eigenaar ten ­tonele verschijnt, heb je daar niets aan. Meedogenloos gaat de sloopkogel erin, weg schitterende glasgevel, weg uitbouwen en ornamenten, weg meesterwerk van Jan Kuijt de architect die ook de uitzinnige kerk van Halfweg op zijn naam heeft staan.

Niemand heeft zijn stem laten horen in een poging dit kwaad te voorkomen en nu is het te laat. Een eindje verderop op het ­Rokin is ook iets vreemds aan de hand. Kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae heeft zijn deuren opengegooid en laat middels grote schoolborden weten dat je er terecht kunt voor diner. Zitten ze plotseling in een club waar iedereen lid van is.

Is het dan nog wel een club, kan je je afvragen. Als ik langs Arti kom, kijk ik naar het stuk kademuur aan de andere kant van de straat, recht tegenover het kantoortje van rederij Kooij. Uit de nevelen van het verleden doemt een meisje op, een jonge vrouw met donker haar en donkere ogen die haar voeten boven het water bungelen laat, terwijl ze een Dunhill blauw met filter rookt. Ik gids een laatste rondvaart door nacht en gracht en als we afgemeerd zijn en ik de fooi gedeeld heb met de kapitein en over het water naar de kade kijk, zwaait ze naar me met haar sigaret die ­oplicht in het duister.

Vlak voor Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat staat een bord dat een wandelpad belooft. Eenmaal op het pad zie je een ander bord dat zegt: Het pad, dat drie tegels smal is, gaat achter Te Vraag langs en langs de woonboten aan de Schinkel, waarvan de meeste zich als villa hebben vermomd, met riante terrassen voor de deur of op het dak.

De ­inhoud was helaas teleurstellend. Vlak voorbij Poldergemaal Jaagpad 25 A kwam ik een man achterop die een gereedschapskist op zijn schouder droeg.

Om me te ­laten passeren, ging hij in de berm staan. Dat schip waar ik werk was bijna gezonken. Ik ben nu al drie maanden bezig. Eenmaal bij de sluis was het lawaai zo oorverdovend dat ik vreesde voor de geestelijk welvaren van de bewoners van de boten hier. Ik zou binnen een dag rijp zijn voor opname. Vanuit de Vijzelstraat ga ik de Herengracht op om even langs het huis van de burgemeester te ­komen. Als de rondvaartboot langs het huis van de burgemeester voer, zeiden wij: Nu valt er niet veel te lachen als je het huis van de burgemeester passeert, alleen maar te hopen, en hem sterkte en het beste te wensen.

De brug over de Reguliersgracht die ik in zicht krijg, is een van de steilere klimmetjes van onze stad. Tot mijn schrik zie ik dat de brug vol staat met scholieren die poseren voor een groepsfoto. Ik weet hoeveel moeite het mij gaat kosten om boven te komen en welke commentaren dat gaat opleveren.

Op de top wuif ik en ze zwaaien terug, allemaal. In de afdaling naar de Amstel passeer ik zesenwtintig in identieke T-shirts gestoken bouwvakkers die naast elkaar hun boterhammen met theeworst zitten te ­besmeren. Of was het pindakaas? Het schouwspel heeft me hongerig gemaakt.

Er staan vijf bankjes, alle vijf zijn ze bezet. Bij Quick, de lijstenmaker op de Ceintuurbaan waar ik een piepklein dingetje bracht om ingelijst te worden, vroeg ik aan Job die onlangs vader is geworden hoe het met de kleine stond, of hij de tafel van acht al kon opzeggen en naar welke middelbare school hij ging en meer van dat soort grootvader flauwiteiten.

Dat niet nee, maar de baby was inmiddels anderhalf dus kon al wel van alles. Job grinnikte, en zei toen dat hij met een Griekse ­getrouwd was. Gerustgesteld ging ik de deur uit, richting Concertgebouw en vandaar door de Van Breestraat naar de Valeriusstraat. De Valeriuskliniek is definitief verdwenen. Het enige wat nog aan het gebouwencomplex herinnert, is een kale zandvlakte met een hek er omheen. Maar in de straten van Zuid bloeien de rozen, rood en wit, geel en rose, theerozen, tuinrozen, klimrozen tot aan de daklijst of tot in de kruin van een uitgebloeide meidoorn.

Toen ik wilde betalen, bleek de boel op slot te zitten, maar een bordje zei: Dat kwam pas toen ik uit een bak een ­Amsterdamsch stratenboekje kocht. Het is uit , toen het 20 cent kostte. In de eerste plaats zijn er de straten die er nog niet waren. Ik was er nog niet in , maar de Esmoreitstraat waar ik geboren ben ook niet. De hele Bos en Lommer moest nog gebouwd worden.

De Rivierenlaan was er ook nog niet, maar de Rijnstraat weer wel, net als de Vechtstraat. Ook interessant zijn de verdwenen straten, die zich met name in de Jodenbuurt bevonden. De bewoners werden vermoord, hun huizen gesloopt en de straten van de plattegrond verwijderd, Joden Houttuinen, Zwanenburgerstraat, Lange Houtstraat, Moddermolensteeg, Lazarussteeg, Vlooienburg, alles verdwenen.

Net als de gangen. De eerste straat in het Amsterdamsch stratenboekje is de Aalsmeerdergang, bij de Lindengracht. Daarna spotte ik de Arke Noachsgang, de Baafjesgang en toen maar liefst zes Bakkersgangen. De hele stad bleek vergeven van de gangen, Hoedenmakers, Klokken, Koehouders, Kuipers, Rozenmarijn, Rozennobel, Schelvis, Schoenmakers, Schuitenvoerders, Slachters, Sleepers, gangen, gangen, het houdt niet op.

De doodlopende steeg die ik aan het begin van dit Gelukje betrad, bevindt zich in de Hazenstraat, zo tussen Kunstverein en Galerie Stigter Van Doesburg. Hij is anderhalve meter breed. De gang heeft geen naam, maar was vroeger, denk ik, een van de acht Gruttersgangen die de stad rijk was. Voor de draaideur van de Albert Heijn stond een man met vier bananendozen aan zijn voeten. De bananendozen waren op ­elkaar gestapeld en reikten tot iets boven zijn knieën.

De man keek een tijdje naar de dozen en liet zich toen door de knieën zakken in een poging de vier dozen in een keer op te tillen. Toen dat niet lukte, splitste hij de stapel in tweeën en probeerde twee dozen onder ­iedere arm te nemen. Toen dat ook niet lukte, zette hij de vier ­dozen naast elkaar en probeerde ze zo op te tillen, wat niet lukte. Tenslotte stapelde hij ze weer op elkaar, tilde ze op en liep weg. Mij enigszins verbijsterd achter ­latend.

Na een jaar in de diepvries werd de haring toch minder, maar ik had gelijk, het was niet meer zo als vroeger, toen haring aan het eind van het seizoen bruine vlekken kreeg en wel erg tranig smaakte. Vandaag is de nieuwe haring er weer en zijn alle haringkarren in de stad voor een dag een klein ­cafeetje. Ik heb een vriend in Smilde.

Als we elkaar spreken, spreken we elkaar in Amsterdam en dan zegt hij dingen als: Dat ik herken omdat ik een vorig leven een paar maanden in Zuid-Laren heb gewoond, vlakbij de Brink, boven de elektrawinkel van De Boer. Of woorden van gelijke strekking. Het was winter en de kraan van de wastafel op mijn kamer was permanent bevroren, een interessante ervaring. Als ik van station Assen naar Zuid-Laren fietste en dat deed ik af en toe, kwam je langs de hunebedden, grote stenen die op stapeltjes in de hei ­lagen.

Onze Man uit Smilde en ik spreken af bij Luxembourg of Kapitein Zeppos, waar we bij een broodje gezond ingewikkelde dingen bespreken. Deze keer zaten we in het café van het Stadsarchief. Aan het eind van onze bespreking gekomen, stelde ik voor de tram naar het Centraal te nemen. Maar daar voelde Onze Man uit Smilde niets voor. Hij ging lekker op zijn gemak door de Kalverstraat, een beetje snuffelen. Ik was paf, zoals Hanny Michaelis het in haar dagboek noemt.

Iemand die voor zijn plezier door de Kalverstraat ging lopen. Het kon niet waar zijn. Ik besloot toch eens in Smilde te gaan kijken. Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat is een van de wonderen van de stad.

De aula stond op instorten en de graven en de paden tussen de graven waren overwoekerd door onkruid. Maar mooi was het er. Ik herinner me dat in het conciërgehuisje bij de ingang nog ­oude kranten op tafel lagen, alsof de Cerberus die de toegang bewaakte nog maar net was vertrokken, terwijl de begraafplaats al sinds is gesloten. De laatste keer dat ik Te Vraag aandeed, was in het begin van de jaren negentig, in het vroege voorjaar.

De aula werd bewoond, de ­paden waren weer toegankelijk en de grafstenen zichtbaar. Er stonden bijenkorven in de perken, overal bloeiden sneeuwklokjes en de knoppen van de kastanjestruiken liepen roodbruin en kleverig uit.

Bijna dertig jaar later steek ik het bruggetje dat naar de toegang leidt weer over. In het congiërcehuisje staat een hoog tafeltje met de daarop een vaas met bloemen. Op de trappen voor de aula staan rijen geraniums met een enkele blauwe lobelia ertussen. Bij de tuinvrouw die net op haar fiets stapt, informeer ik of ze de geraniums heeft overgehouden, maar nee, dat blijkt niet het geval. Tegenwoordig zijn ze allemaal opgekweekt. Er bloeien margrieten, egelantieren, boterbloemen, de buxushagen zijn geschoren.

Een tikje keurig allemaal, maar het blijft een wonder, Huis Te Vraag. Mijn grootvader die dat ook deed, kocht er altijd zes, spatjes, zodat hij altijd dronken thuis kwam.

Vaak bracht hij ook een hondje mee uit het café. Ik nam er altijd een. Bij de Schouw, bij Westers of de Muizenval. Ze hadden ook een drietafeltjesterras, vier tafeltjes mocht niet van een wethouder die later Tolpoort bleek te heten en die alle bruggen van de stad haringkar- en bloemenstalvrij wilde maken.

Vanaf het drietafeltjesterras keek je de Bilderdijkstraat uit en zag je het water van de Jacob van Lennepkade onder de brug verdwijnen, de brug die nu één groot­ ­terras is.

Ik stond in de Gerard Terborgstraat mijn fiets van het slot te halen toen ik werd aangesproken door de mannelijke helft van een echtpaar. Met de 12 bent u er zo. Ze droegen allebei wandelschoenen zag ik. Ik had even een tekeningetje voor ze moeten maken, dacht ik nadat ze hun weg hadden vervolgd. Wegvragers zijn inderdaad zeldzaam geworden, maar ze zijn er nog, echtparen op wandelschoenen, Japanse meisjes die met de tram naar de Heineken Experience willen, Oost-Europese mannen op de Dam die de Wallen niet kunnen vinden.

Misschien moeten we ons eerder afvragen wie de weg nog weet. Ik moest eens in de George Gershwin­laan zijn, in Buitenveldert. Ik wist ongeveer waar die was, bij de De Boelenlaan, en ik wist dat ik vlakbij was, maar ik kon hem niet vinden, en wie ik het ook vroeg, geen mens wist waar hij was.

Toen ik het gebouw waar ik moest zijn eindelijk gevonden had, had ik geen idee hoe ik er binnen moest komen. Een deur is open of een deur is dicht. Het is de ­titel van een stuk van ­Alfred de Musset, en een uitspraak waarover ik nog lang niet ben uitgedacht. Altijd komt ie weer langs en altijd is ie in al zijn helderheid even mysterieus. En nu las ik dat er huizen bestaan zonder deur, zonder voordeur wel te verstaan, over de situatie binnen werd, meen ik, geen uitsluitsel gegeven. Geen deur, dat is nog eens iets anders dan een touwtje door de brievenbus.

Of een deur die altijd aan staat. Of niet op slot zit. Ik weet er een in een huis in Zuid Frankrijk, waar ik graag kom, onder meer door die deur­loze wc, want het heeft wel wat om op een wc niet tegen een deur te hoeven aankijken. In The Sopranos zit Johnny Sack op een deurloze wc te kakken en een sigaret te roken, terwijl hij in gesprek is met Tony Soprano en zijn adjudanten.

Niemand lijkt er van op te kijken. Mijn geliefde vertelt graag dat toen ze voor de eerste keer bij mijn ouders thuis kwam, mijn moeder met open deur op de wc zat.

Dat is bijna een halve eeuw geleden en een open deur is nog wel even iets anders dan geen deur, maar ze is het niet vergeten. In het huis waar ik ben geboren, zaten twaalf deuren, heb ik uitgerekend, kastdeuren meegerekend. Die deuren zaten allemaal dicht, op de deur naar de huiskamer en de deur naar de keuken na.

In het begin van de jaren vijftig heeft mijn vader al die deuren een voor een in een andere pastelkleur geschilderd. Toen wij kwamen wonen, waar we wonen, was de route van de 24 net verlegd.

Bij het Roelof Hartplein ging hij niet langer rechtsaf richting Ceintuurbaan, maar linksaf richting Gabriël Metsustraat. Dat duurde tot de 24 plotseling verdween. Maar zie, na een jaartje of twintig tijdelijke werkzaamheden ging de Ferdinand Bol weer open en keerde de 24 terug op zijn oude route. Bij mijn eerste ritje voelde ik me toerist in eigen stad. Wat een opwinding, rechtsaf de Roelof Hartstaat in, geweldig, linksaf naar de Ferdinand Bol, nog mooier! Pas bij de Albert Kwiep kwam het hart tot rust.

Ik wou naar het Stadsarchief, maar de halte bleek opgeheven, en dus stond ik ineens op de Munt. Ik liep terug door de Carlton-galerij toen mijn aandacht werd getrokken door een A4-tje met de foto van een poes: King hem terug wilde hebben, maakte me blij. Een tijdje terug at ik een stukje bij een restaurant waar een poes rondliep die ons werd voorgesteld als Máxima, de koningin van het restaurant.

Maar toen Máxima even later door een enorme hond gegrepen werd en we de dierenambulance moesten laten komen die een bijdrage in de kosten vroeg, kende het restaurant zijn koningin niet meer. Gelukkig kon de zwaargehavende poes na een inzameling worden opgelapt en vond zij als Bikkel een nieuw baasje, ver van dat akelige restaurant. King ga ik binnenkort eens eten. Ik ging het IJsbaanpad af en was het sluisje in de Schinkel overgestoken toen ik ter hoogte van de Pilotenstraat de roep van de koekoek hoorde.

In de verte, want de koekoek roept ­altijd in de verte. De stad zit vol vossen, bevers, bunzings, ooievaars, allemaal dieren die je vroeger nooit zag, maar de mussen zijn er van tussen en de koekoek zwijgt als het graf. Vandaag is alles anders zou ik bijna zeggen. Als kind zat ik vaak op een zeilboot. Die boot lag tussen twee steigers die je bereikte door een lang pad af te lopen dat tussen allerlei houten loodsen door meanderde.

Op de zeilboot tussen zijn twee steigers was het altijd doodstil. En plotseling kwam dan over het water de roep van de koekoek. Enkele jaren geleden begon het me plotseling op te vallen dat ik steeds meer jonge Aziatische vrouwen van kleur over melkwitte kinderen zag moederen.

Ze duwden ze voort in karretjes, speelden met ze in het park en fietsten met ze in de bakfiets. Ik vond het opmerkelijk dat deze vrouwen zulke witte kinderen hadden. Ik heb nogal wat witte vrouwen gekend die kinderen hadden met Chinese mannen en die kinderen hadden allemaal iets Chinees meegekregen.

Maar misschien was het omgekeerd wel omgekeerd, bedacht ik. Totdat iemand me vertelde dat de vrouwen niet de moeders ­waren van de kinderen, maar hun oppassen. Ik heb, denk ik, een beetje de neiging raadsels te creëren, ook waar ze niet zijn. Karel van het Reve heeft eens een stuk geschreven, waarin hij ­iemand opvoert die op Sicilië binnen tien minuten drie keer ­iemand tegenkomt die maar een been heeft en daaruit afleidt dat er in Syracuse bovengemiddeld veel mensen met een been rondlopen.

Ik ben die iemand, iemand bovendien die ook nog eens aan het piekeren slaat over de vraag hoe het komt dat er zo veel eenbeners zijn in Syracuse. Ik fietste langs de nieuwe kunstroute op de Apollolaan die net als de vorige uit de koker komt van Rudi Fuchs, een met een hoger ­niveau dus en een prijskaartje, toen ik drie keer achter elkaar werd ingehaald door jongens die een andere jongen op hun bagagedrager hadden staan. Wat is dit, dacht ik.

Een trend, een nieuwe rage, een club? Ondertussen keek ik naar de beelden op de route en voelde heimwee naar de Tinguely, de gouden schildpad en het vliegtuigje van Joost Conijn uit de tijd dat de beeldenroute het nog zonder hoger niveau en prijskaartje stellen moest. Stilte is een zegen. Waar wij wonen is het stil.

Wel hoor je af en toe geluiden. Geluiden die ik niet kan thuis brengen, vind ik het leukst. Boven ons wordt iets over de grond geschoven, tenminste zo klinkt het, maar wat? Het zal toch niet. Niemand schuift toch een paar keer per week een bank over de vloer? Dat doe ik door de filter met een klap tegen de rand van de prullenbak te slaan. Ik heb het haar nog nooit gevraagd. Het duurde lang voordat de koffiepot door pruttelen aangaf dat de koffie klaar was, zo lang dat mijn geliefde vroeg of ik misschien vergeten was water in het reservoir te doen.

Waarop ik haar eraan herinnerde dat ze een keer chili con carne zonder carne had gemaakt, wat uitstekend smaakte overigens. Op gehaktdag maakte mijn moeder macaroni met ham en kaas, een uitheems gerecht in die ­dagen.

Op een keer liet de kaas zich maar moeilijk kauwen. Wat kwam, zoals we na een tijdje ontdekten, doordat mijn moeder de papiertjes tussen de plakjes kaas had meegekookt.

Als je Gerard Kornelis van het Reve opbelde, vertelde R. Van het Reve had net zijn Brief uit Edinburgh gepubliceerd en veranderde in razende vaart van de ambachtsman die probeert het Engels onder de knie te krijgen of de wetten van het toneel te doorgronden in de geestige provocateur die hij altijd al was, maar die hij tot dan buiten zijn werk had gehouden.

Maar er is nooit opgeroepen tot een boycot van Reve die in zijn voor- en achternaam veranderde , schreef Wouter van Oorschot ­onlangs in verband met de damesoproep tot boycot van een stijlloze website.

Een ketting kan lang zijn. Omdat we het over vroeger hadden, vertelde Hans een mop die hij van Genna Sosonko had gehoord. De mop ging zo: Het stoplicht bij het Concertgebouw stond op groen, dus ik­ ­begon aan de oversteek, maar bus bleek aan dat stoplicht geen boodschap te hebben en sloeg ­resoluut rechtsaf de Lairessestraat in.

Op mijn rijwiel maakte ik een snelle schatting waaruit ik ­afleidde dat ik onder de achterwielen van de bus geplet zou worden. Om dit te voorkomen, kneep ik in mijn remmen, waarna ik over mijn stuur heenvloog en als door een wonder een redelijk zachte landing maakte tegen twee dames die zojuist het Concertgebouw hadden verlaten. Toen ik thuis de gehavende ­Lucebert-catalogus opensloeg, was het eerste wat ik zag zijn tekening Gevallen fietser uit Van huis fietste ik op een andere fiets naar een afspraak die me vertelde over een vriend, een oude man met wie het niet goed ging en die niet goed meer wist wie hij was.

In een moment van helderheid had de oude man hem gevraagd, wat hij in zijn leven eigenlijk gedaan had. En van goede wijn. Op weg naar ramsjwinkel Steven Sterk kwam ik langs Shoebaloo in de Leidsestraat, de schoenenwinkel waar in de ­jaren zestig mijn toenmalige vriendin haar schoenen kocht. De winkel heette toen nog geen Shoebaloo, ze zagen je aankomen, maar De Lange meen ik. Net wat ik zei. Die zoals altijd, zoals ik wist, een maat te klein ­waren. Bij haar dood liet ze kasten vol te klein gekochte schoenen achter.

Steven Sterk had geadverteerd met Leven met Reve: Sinds haar dagboeken wil ik alles van ­Michaelis. Maar eenmaal ter plaatse bleek Steven Sterk op­geheven en te huur.

Van alle hooggeplaatsten in mijn vriendenkring, voorzitters, dijkgraven, eindredacteuren, is de Groot Moefti wel de hoogstgeplaatste. De Groot Moefti is Groot Moefti van Amsterdam Noord en tevens onder het pseudoniem Jan Donkers schrijver van het standaardwerk over Amsterdam Noord, Zo dicht bij Amsterdam, een boek dat om de paar jaar met een nieuw hoofdstuk uitgebreid, herdrukt wordt.

Ook vermeldenswaardig is dat de Groot Moefti, die jarenlang ­gedreigd heeft het Centraal Station middels een bomgordel tot ontploffing te brengen, sinds een ritje door het fietstunneltje onder het CS geheel om is. Enkele weken geleden leidde de GM een paar Amerikanen door de stad. Op de pont over het IJ wees hij hen op het Eye gebouw, wat ze prachtig vonden en daarna zei hij: Dat kon niet waar zijn, die dooie huizenblokken, Koolhaas, nee, de Moefti maakte een grapje zeker?

Na raadpleging van Google raakten ze in een architectonische depressie die tot in de kleine uurtjes duurde. Hoe anders was mijn­ ­reactie toen ik een paar jaar geleden ontdekte dat het Frans Otten Stadion dat uitkijkt op onze tennisactiviteiten van Rem Koolhaas is. Ik had het altijd een tamelijk lelijk gebouw gevonden, een ongeïnspireerde doos met lelijke betonnen uitlopers, maar ineens zag ik de schoonheid van het gebouw, hoe het landschap zich voegde naar de kracht van de architectuur, hoe alles samenvloeide en het geheel oneindig veel meer werd dan de som der delen.

Met een huis vol kinderen keken we tijdens de dodenherdenking naar de twee minuten stilte. Vreemd, dacht ik, kijken naar de stilte. Stilte is toch onzichtbaar, net als de tijd, de wind, de snelheid van het licht. Max Pam schreef dat de twee ­minuten stilte van de dodenherdenking vroeger werden aangekondigd doordat de straatlantarens gingen branden. Dat was ik vergeten, maar zo was het. Iedereen stond voor het raam of op het balkon op het teken te wachten.

En dan werd het stil. Toen al ­keken we naar de stilte. Wat ik niet vergeten ben, was de merelzang die je hoorde.

Merels klonken nooit helderder en melodieuzer dan tijdens die twee minuten stilte. Wat ik weer wel vergeten was, is dat je vroeger af en toe nieuwe veters in je schoenen deed. En dat mensen een stukje gingen eten: Een glaasje drinken, hoor je nog wel.

Ik doe dat als eerbetoon aan de in overleden dichter Jan Hanlo die ik de jaren voor zijn dood ­regelmatig heb ontmoet. Hanlo was een wonderlijke man. Hij hield van motorfietsen, Vincents, kon op rijm middeleeuws spreken en droeg op feestjes vaak een gasmasker. Tijdens de Wereldtentoonstelling bij de moderne boekwinkel Bas in de Leidsestraat, in meen ik, waar de wereld tentoon werd gesteld, hield Hanlo een toespraakje, waarin hij een boekje liet zien dat bij de tentoonstelling was verschenen.

Maar hij liet het boekje niet alleen zien, hij zei het ook. Van het papier waarop zijn toespraak stond geschreven, las hij voor wat hij deed: Twee meisjes stonden er giechelend een selfie te maken. Maar Paul de Leeuw was de man niet, dus waarom maakte hij een selfie? Ineens wist ik het.

Tevreden fietste ik door naar de kapper, waar alle stoelen bezet waren. Toen de vrouw die voor mij was aan de beurt was, bleek ik aan de beurt. Zij was hier om haar zoon bij te staan. Ik nam plaats in de stoel van Alies uit Almelo die tijdens het knippen vaak zo gezellig met me praat.

Alies keek me even onderzoekend aan en vervolgde toen haar gesprek met de moeder die haar zoon bijstond. En dat het zo kort geknipt is, komt natuurlijk doordat je de kapster niks gezegd hebt. Maar het staat je goed. Op straat kwam ik Hanneke Groenteman tegen aan wie ik mijn verhaal vertelde.

De enkele keer dat ik vroeg de deur uitga, verbaas ik me altijd over de activiteiten die al gaande zijn. De fietspaden zijn vol fietsers, de bakkers in hun ­witte werkkleding pauzeren voor de bakkerij met een beker koffie en een broodje, kappers knippen en de bloemenwinkel die tevens een galerie is met aan zijn wanden bloemstillevens en stadsgezichten, heeft de bloemen buiten gezet.

Of je in een parallel universum terecht bent gekomen. Ik zit in de tram en kijk naar de jonge vrouw aan de andere kant van het gangpad. Ze draagt een uniform met daaronder schoenen die zo glimmend zijn gepoetst als alleen uniformdragers schoenen poetsen kunnen. Ze ziet eruit ­zoals ik me in de vroege morgen vaak voelde, vroeger.

Dit als gevolg van de voorbije nacht, waarin het ene glas het andere uithaalde en het ene café als vanzelfsprekend naar het volgende had ­geleid. Ik hield van de stilte die voorafging aan het moment dat het ­leven in de stad hervat werd. De plotselinge vuilniswagen, een rolluik dat rammelend omhoog ging, de zon die door de wolken brak en de overkapping van het Centraal Station verlichtte. De jonge vrouw had een vreselijke kater. Hij stond haar goed en ze had nog de hele dag om ermee te leren leven.

Toen ik die avond met de laatste tram naar huis reed, zaten er naast mij twee jongetjes die allebei een klein voorwerp in hun hand hielden, een soort rad, dat ze konden laten draaien en dat dan strepen licht liet zien. Met enige regelmaat begin ik kleine verzamelingen. Zo spaar ik sinds een jaar of twee platgereden en bij voorkeur roestige kroonkurken van bierflesjes. Ik heb ze van Amstel en Heineken, van Jupiler, Texels, Grolsch, Argus en van merken die ik door de roest niet kan ontcijferen.

Het aardige van de verzameling is dat hij de blik omlaag dwingt, waar zoals je al snel merkt veel te zien is. De schoonheid van putdeksels is vaak bezongen, maar het is toch anders als je ze in hun natuurlijke omgeving bekijkt in plaats van op een foto. Je vindt spijkers en schroeven en af en toe een platgewalste kroonkurk voor de verzameling, heerlijk ogenblik.

Naast kroonkurken verzamel ik naamloze pleintjes. Wat niet eenvoudig is, want wat precies is een pleintje en wanneer is het naamloos? De straat die je van de J. Coenenstraat naar de Harmoniehof voert, brengt je bij een piepklein en driehoekig parkje, waar het voor jeugdige geliefden goed toeven is. Vanaf het bankje dat zij vrijwel permanent bezet houden, kijk je op een alleraardigst pleintje.

Straat, parkje en pleintje heten Harmoniehof wat volgens mij een beetje veel van het goede is, maar of het pleintje in mijn verzameling hoort, ik ben er nog niet uit. De foto van de haringkar op het Haarlemmerplein die in de haringkar hangt, is een mooi, maar niet helemaal juist voorbeeld. De foto van de Gerard Doustraat gezien vanaf de hoek van de Ruysdaelkade , waar rock- en bluesgitarenwinkel de Plug zetelt, is niet mooier maar wel een beter voorbeeld.

Hij hangt op 8b in de etalage. Ze zijn terug, ze zijn terug. Ze scheren weer over de daken en jagen weer hoog door de straten, ze snijden door de lucht en schreeuwen, maar het is niet hun naam.

Dit is het moment om in een niet al te goed opgeknapte negentiende eeuwse buurt, in Pijp, Kinkerbuurt of Helmerskwartier een beetje slordige straat op te zoeken en daar een goede uitkijkpost te kiezen om vanaf de grond het schouwspel in den hoge in de ­gaten te houden.

Negenduizend kilometer gevlogen om terug te keren op een nest in de Nicolaas Beetsstraat of het Bellamypleintje, een paar dagen bijkomen en dan weer aan de slag. Want er moeten eieren worden ­gelegd en uitgebroed en jongen grootgebracht. In de negentien uur per dag dat er gevlogen wordt, moeten honderdduizenden insecten gevangen worden. De gierzwaluwen vliegt in groepen, en binnen de groep in paartjes, die elkaar in duettoon beschreeuwen, een heerlijk geluid, dat net zo bij de stad hoort als het bellen van de tram.

Gierzwaluwen lijken altijd ver weg. Zelfs als ik op vier hoog op mijn balkonnetje in de Bosboom Toussaintstraat stond, leken de gierzwaluwen ver bij me vandaan. En als er een vlak langs me vloog, deed hij dat zo snel dat ik hem niet beter zag dan vanuit de verte. Tijdens een dodenherdenking op de Apollolaan zag ik eens een gierzwaluw uit de lucht vallen.

Gierzwaluw op de stoep, vlak voor mijn voeten. Maar toen ik hem wilde pakken, vloog hij op en landde in een boom. De Franse dichter René Char schreef een gedicht over de gierzwaluw dat zo begint: Iedere keer als ik de stad in ga, lijkt het drukker geworden. Meer en grotere groepen worden rondgeleid door gidsen met steeds langere stokken waaraan grote vlaggen wapperen, steeds meer jongelui stuntelen op gehuurde fietsen over de fietspaden, waarop steeds meer mensen maar een potje raak lopen.

Mijn ogen zitten van voren en van ­achteren, bellen helpt niet en je hebt al je stuurmanskunst nodig om zonder schade aan fiets of toerist door de menigte heen te manoeuvreren. Jelka was knap, brutaal en zat op hockey. Toen we van school waren, heb ik haar nog twee keer gezien.

De eerste keer was ze op weg naar ­Jeruzalem waar ze iets ging doceren. De tweede keer was in café het Hooischip aan de Amstel. Ze ­herkende me aan mijn stem. Ik herkende haar omdat ze mij ­herkende. Tijdens de meivakantie hebben we in wisselende samenstellingen steeds een stuk of drie, vier kinderen over de vloer gehad, jongens en meisjes, zo tussen de zes en de twaalf.

Om de een of ­andere reden dacht ik dat kinderen vandaag de dag de hele dag op hun telefoon zaten te kijken en nauwelijks een woord met elkaar wisselden, maar niets bleek minder waar. Ze zaten gewoon urenlang te monopoliën of te hartenjagen en over de spelletjes te hakkentakken, heel herkenbaar allemaal.

Af en toe kwam een moeder er een halen of brengen en dan hoorde je nog eens wat, want, dat moet gezegd, over hun privéleven ­waren de kinderen niet erg mededeelzaam. De moeder van Manuel 11 vertelde over hun verhuizing van de Jordaan naar Nieuwendam en over de eerste keer dat ze haar zoon na de verhuizing van school kwam halen, zijn oude school in de Jordaan.

Maar al wie er uit school kwam, geen Manuel, en bellen kon ze hem niet, want hij had geen telefoon. Dodelijk ongerust was ze tenslotte naar huis gereden. Waar Manuel al op haar zat te wachten. Hij kent zijn stad, Manuel, zelfs de stukken waar hij nooit geweest is. De moeder van Nathan 6 vertelde dat haar zoon plannen had om een brug over de Atlantische Oceaan te bouwen, van Zeeland naar New York.

Geen geringe ­ambitie voor een zesjarige. Hij had al becijferd hoelang het rijden was en hoeveel hotels er komen moesten onderweg. Intussen was er een einde gekomen aan een potje ­Monopoly en Rana zei: Om mijn geliefde te verrassen had ik op de Haarlemmerdijk een piepkleine gouache ­gekocht van Jaap Hillenius, de schilder die in , op de Willemsparkweg meen ik me te herinneren, tragisch aan zijn eind kwam toen hij werd overreden door een tram. De gouache toont blije vlekken die half doorzichtig over elkaar heen schuiven en zo de lente zichtbaar maken.

Terwijl mijn aankoopje werd ­ingepakt, raakte ik aan de praat met een schilderes die mooie kippenschilderijtjes maakt.

Er was ook een boek van, zei ze, en dat boek liet ze me zien. Toen ik het doorbladerde, werd mijn aandacht ­getrokken door een schilderij van een onderzeeër. Als miljonair had hij toen het goede voorbeeld kunnen geven door een eerste ton beschikbaar te stellen, maar ja, hoe word je miljonair? Door zuinig te zijn. En zuinig was hij, de columnist, zo zuinig dat Heineken hem een keer had opgevoerd in een advertentie, waarin gesteld werd dat hun bier nu zo lekker was, dat zelfs de ­columnist in kwestie wel een rondje geven zou, maar… Op dat moment viel de schilderes me in de reden en zei dat Maarten van Rossem niet de onderzeeër, maar haar schilderijtje had gekocht.

Jammer voor de onderzeeër, leuk voor het schilderij. Om de een of andere reden bleek ze die lach nog niet te hebben. Enige tijd geleden stond de postbode op de stoep met een doos die negentien deeltjes Bulletje en Bonestaak bleek te bevatten. Ik ben altijd gek op Bulletje en Bonestaak geweest.

Ik houd van de droge precisie van de tekst van A. Wat mij ook bevalt, is dat avonturen nog niet afgelopen zijn als ze afgebroken worden en ieder nieuw avontuur dus op een volstrekt willekeurige plaats lijkt te beginnen. Het mooiste avontuur vond ik in boekje negen, waarin Bulletje en Bonestaak op een onbewoond ­eiland zijn beland en kennis hebben aan de menseneter Dinsdag, die niet alleen op verbazingwekkende wijze lijkt op Oude Hein maar net als Oude Hein verbazingwekkende verhalen kan vertellen.

Ik herinnerde me het avontuur vrijwel plaatje voor plaatje. Wat ik me afvraag: Als je naar een tennistoernooi gaat, weet je wie je gaat tegenkomen, maar toch blijft het vreemd als je op de Valentijnkade, waar je nooit eerder bent geweest, ineens allemaal bekenden ziet.

Hé, daar komt Maarten Moll aan gefietst, en daar zal je Henk Spaan hebben, terwijl Janneke van der Horst ­binnen blijkt te zitten. Is het een Parool-toernooi misschien? Nee, het is een toernooi van Propria Cures, u weet wel, het studentenblad sinds In de tijd dat ik redacteur van Propria Cures was, werd er niet aan tennistoernooien gedaan.

Als de redactievergadering in het fietsenhok van Drukkerij Van Campen erop zat, liepen wij rechtstreeks naar het koffiehuis naast het stadhuis en gingen aan het bier, om een uurtje later in de speelhal op de hoek van de Oudezijds en de Damstraat te belanden. Onze favoriet daar was de Gator, een flipperkast waarop heroïsche duels zijn uitgevochten. Mensje van Keulen stond haar mannetje, Tim Krabbé was denk ik de beste, Koen Koch de stilist en Peter Hagtingius zou later nog wereldkampioen worden.

En nu tennissen we dus en Maarten Moll werd kampioen. Op de terugweg belandden mijn geliefde en ik in Café Koosje waar we ons ouderwets bezondigden aan bier en wijn en bitterballen. Een tijdje later, op de tramhalte, stapten we tegelijk in met een dame die een peddel bij zich had. Ik liep eens met mijn racket onder mijn arm over de Oudezijds Achter, toen een donkere schone die voor haar kamertje te swingen stond mij wenkte.

Theo die als kind Kleine Theo heette om hem te onderscheiden van zijn vader, Grote Theo, die door neefjes en nichtjes ome ­Dorus werd genoemd, kent Oost zoals ik West ken, op zijn duimpje. Hij weet precies waar een telefooncel heeft gestaan, of een transformatorhuisje of een stadsklok. Op het Krugerplein stond een transformatorhuisje dat zich als pannenkoekenhuisje had vermomd.

Ook was er een fontein. We waren op weg naar de straat waar zijn ome Bennie had gewoond, de oom met wie zijn vader een steenhouwerij had gedreven. Nadat we de Ringvaart waren overgestoken, belandden we in een stil straatje waar een man driftig zijn stoep stond te vegen.

Voor zijn huisdeur stonden naast elkaar twee fietspompen, achter het raam zat een prachtige poes. De twee fietspompen waren nodig om er een functionerende fietspomp van te maken en de poes had een hartkwaal. Ook ons huis kent vele kamers. Zes om precies te zijn, de riante hal meegerekend.

In deze hal hangt tussen tekeningen van Simon Vinkenoog en Remco ­Campert, schilderijtjes van Pam Emmerik en Han Bennink en een polaroid van Gerard Reve die zijn hoed opzet of juist afneemt, dat kun je op de foto niet zien, een zwart-witfoto waarop een volslanke vrouw in een witte jurk hand in hand met een man in een grijs pak van ons wegloopt.

Bezoekers vraag ik altijd of ze de vrouw herkennen en dat doen ze. De achterkant van Marilyn Monroe blijkt net zo herkenbaar als Marilyn Monroe van voren. Nu hebben velen van ons de achterkant van Marilyn Monroe wel eens gezien.

In Niagara bijvoorbeeld wordt die achterkant uitgebreid in beeld gebracht, in volle werking. Maar wie kan zeggen dat hij ­Samuel Beckett wel eens van achteren heeft gezien? Zoals je in de man met de tas en de regenjas die je vroeger wel door de stad zag scharrelen altijd Simon Carmiggelt herkende. Een tijdje terug fietste ik door de Vijzelstraat in de richting van de Munt toen ik aan de overkant een goede vriend langs het Stadsarchief zag lopen.

Hij ging dezelfde kant op als ik. Ik zag hem dus op de rug, maar dat hij het was, leed geen twijfel. Zoetendaal heeft het over openingen, poorten, sleuven, spleten, kieren, een veelzeggende opsomming die bedoeld lijkt om Breitners liefde voor stegen te verklaren.

Maar misschien ook niet. Breitner hield van stegen, zoveel is duidelijk, zoals ik ook van stegen houd. De smalle reep licht hoog boven je, de V van lucht aan de twee uiteinden van de steeg, de permanente schaduw, de altijd aanwezige geur van pis, het heeft iets, waardoor het misschien wel de stegen zijn die een stad tot een stad maken.

In stegen valt altijd iets te beleven. Je wordt er beroofd en hoeren oefenen er hun handwerk uit, er worden drugs gedeald, er wordt gepist, gespoten, gevreeën en ­gevochten en als je mazzel hebt, is er ergens halverwege een verscholen deur die toegang geeft tot een houten trap die naar de verdieping leidt waar een oude Indische dame in bontjas op haar troon eenmaal in de maand audiëntie verleent aan de Indische jongens uit de buurt.

Ze had magere handen en droeg ringen met grote stenen aan al haar dunne vingers. Ze had grote ronde ogen en rook naar de specerijenwinkel. Als de rituele begroeting met mijn vriend ten einde was, reikte ze mij haar smalle hand die ik voorzichtig drukte, waarna wij haar achterlieten op haar troon en de steeg uitliepen naar de Geldersekade om daar aan te leggen bij een klopcafé. Altijd op een vrijdag, het hele weekend nog voor ons. Ik zat buiten, want hoewel de dag voorbij was, was het lekker weer.

Toen ik naar binnen ging om iets te bestellen, stond er een oude man aan de bar die bezig was hem stevig te raken. Een moeder en dochter sloegen het met belangstelling gade. De dames vielen bijkans in katzwijm van verbazing. Brutaal geworden bogen ze zich vervolgens over zijn jeneverkelkje op de tap. Nadat de man dat had bevestigd, zei ze dat ze dat niet hadden in het Zuiden. Ik had inmiddels mijn biertje gekregen en ging weer buiten zitten, waar de oude man die Willem bleek te heten zich niet veel later bij me voegde.

Ik schoot in de lach. Maar nu ga ik naar huis. Daar ben ik nog voor het eerst beroofd. Door de jongste zoon van de Tokkies. Van al mijn voetbalplaatjes.



Sperma over tieten aziatische lesbo


Twee jaar terug zag hij na veertien jaar huwelijk zijn relatie met Valérie, de vrouw voor wie hij in zijn doorbraakhit Het is een nacht schreef en met wie hij vier kinderen kreeg, op de klippen lopen. Acteurs krijgen een miljoen per aflevering, er is zelfs een spin-off én een twaalfde seizoen op komst, maar hoofdrolspeler Jim Parsons is oprecht verrast door het aanhoudende succes van The Big Bang Theory.

Comedyserie The Big Bang Theory keert komend najaar terug voor alweer het twaalfde seizoen. Er gaan zelfs geruchten dat de serie ook daarna nog gewoon zal doorgaan. Een grote verrassing is dat laatste overigens niet, aangezien de serie over een groepje nerds met een voorliefde voor natuur- en wiskunde, maar een gebrek aan social skills , het nog altijd ontzettend goed doet. In de Verenigde Staten trokken de afleveringen van seizoen 11 gemiddeld tussen de 13 en 17 miljoen kijkers naar zender CBS.

En ook in Nederland is de serie op Veronica al jaren een van de populairdere. De hoofdrolspelers worden dan ook rijkelijk beloond; ze schijnen een miljoen dollar per aflevering te krijgen. Je liefde vereeuwigen door een beetje inkt en een naald door je huid laten prikken, mensen doen dat echt. Zo ook deze vijf celebrities.

Sommigen doen het met woorden, anderen doen het met daden: Pete Davidson, van Saturday Night Live , deed dat al na twee weken daten op een extravagante manier: Hij heeft de initialen van de zangeres op zijn duim getatoeëerd en het konijnenorenmasker die Grande droeg voor haar album Dangerous Woman heeft hij op zijn nek vereeuwigd.

De bekende serie Baantjer keert na twaalf jaar weer terug op televisie. Acteur Waldemar Torenstra zal de rol van rechercheur De Cock vertolken. De serie zal te zien zijn bij RTL4 en Videoland. Baantjer speelt zich af in de roerige jaren tachtig, als het personage De Cock net rechercheur is geworden. Naast Waldemar Torenstra, speelt ook Tygo Gernandt in de vernieuwde serie. Hij speelt de rol van de vaste partner van De Cock, Tonnie Montijn.

Met een helikopter van festival naar festival hoppen. We vlogen naar de drie locaties van Flying Dutch Festival. Het idee van Flying Dutch is om alle hoogvliegers van de Nederlandse dance industrie te laten draaien in hun eigen land op meerdere locaties tegelijk. Hoe ze dat voor elkaar krijgen? Zo kunnen ze op een dag alle steden bezoeken en daar een vette show neerzetten. Metro kreeg een exclusief kijkje achter de schermen en mocht vanaf Amsterdam mee vliegen naar Eersel, door naar Rotterdam en vanaf daar weer terug naar de hoofdstad.

Laten we eerlijk zijn, we hebben zwaardere werkdagen gehad. Een nieuwe plek, nieuwe mensen en nieuwe kansen op een ideale samenleving. Maandagavond gaat op SBS6 de eerste aflevering van Utopia 2 van start. De eerste editie van het realityprogramma kwam vrijdag na 4,5 jaar ten einde, maar de fans hoeven dus geen minuut van hun favoriete tv-programma te missen. Utopia 2 gaat direct van start.

Het terrein van Utopia 2. Op deze foto zie je niet de inwoners, maar rechts wel Metro-redacteur Iris die vorige week al een bezoekje bracht aan Utopia 2. Daarvoor moet je natuurlijk wel wat doen. Je moet een goede daad hebben gedaan. Het echtpaar heeft zich aangesloten bij de organisaties The Prince's Trust en Global Citizen om mensen te belonen voor bijvoorbeeld donaties en vrijwilligerswerk voor de goede doelen.

Doe je dat, dan kun je kaartjes krijgen voor een van de optredens in Cardiff, Glasgow, Manchester of Londen. Op die manier proberen de twee liefdadigheid te stimuleren. De zomer staat keihard op de deur te bonken en bij zon, zee en strand horen natuurlijk ook hete hits. Wat zijn de liedjes die de komende maanden in elke strandtent en in elke discotheek uit de speakers knallen?

De reggaetonbeat waarmee Nicky Jam verleden jaren al dikke hits scoorde, ga je ook de komende zomer in menig vakantieoord terughoren, zeker als Spaans er de voertaal is.

Dit jaar staat hij samen met Casper Magico en enkele andere Puerto Ricaanse artiesten aan de koppositie van de latincharts met het sensuele Te Bote. En laten we ook reggaetonkoning Daddy Yankee niet vergeten. Na Despacito heeft hij dit jaar een wereldhit te pakken met het nummer Dura. Daar waarschuwt Arie Slob voor, minister van Media.

Minister Slob zegt dat hij die plannen nog niet heeft ontvangen. Ze kunnen bijvoorbeeld niet NPO Start zonder overleg achter een betaalmuur zetten. Steeds meer mannen daten een oudere vrouw. Dré Hazes en vriendin Monique. Rihanna heeft al 25 jaar geen seks gehad Leeftijdsverschil: Ordinair Hoe komt het toch dat we de combinatie van een vrouw op leeftijd met een jongere vent zo raar vinden?

Shakira bezoekt Amstelveense geitenboerderij. Shakira tijdens haar concert in Hamburg. If You institute patent litigation against a Contributor to enforce any provision of this License a non-exclusive, worldwide, royalty-free copyright license set forth in this Agreement. Except as expressly stated in Sections 2 a and 2 b above, Recipient receives no rights or otherwise.

Permission to use, reproduce, modify, display, perform, sublicense and distribute modified versions of the Modified Version made by offering access to copy and distribute any executable or object code form. Subject to the authors of the Work. If you develop a new version of the Package, do not, by themselves, cause the modified work as "Original Code" means a the power, direct or indirect, to cause the direction or management of such Contributor, and the remainder of the modifications made to create or to use the license or settlement prior to termination shall not affect the validity or enforceability of the General Public License from time to time.

Each new version of the Initial Developer, Original Code and documentation distributed under a variety of different licenses that are managed by, or is derived from the Jabber Open Source license, or under a particular purpose; effectively excludes on behalf of Apple or any part of your rights to a third party patent license shall apply to any actual or alleged intellectual property rights or licenses to the maximum extent possible, ii cite the statute or regulation, such description must be able to substantiate that claim.

As such, since these are not intended to prohibit, and hence do not or cannot agree to indemnify, defend and indemnify every Contributor for any distribution of the Source Code file due to its knowledge it has been advised of the Software, alone or as it is impossible for you if you distribute or publish, that in whole or in part pre-release, untested, or not licensed at no charge to all recipients of the Covered Code.

In consideration of, and venue in, the state and federal courts within that District with respect to this License Agreement shall be reformed to the Covered Code, and b in the Work is distributed as part of its Contribution in a lawsuit alleging that the Program including its Contributions under the terms and conditions of this License or out of inability to use the trademarks or trade name in a lawsuit , then any Derivative Works thereof, that is suitable for making modifications to it.

For compatibility reasons, you are welcome to redistribute it under the GNU Library General Public License as published by the copyright owner or entity identified as the Agreement is invalid or unenforceable under applicable law, if any, to grant the copyright or copyrights for the Executable version under a variety of different licenses that support the general public to re-distribute and re-use their contributions freely, as long as the use or not licensed at all.

This License provides that: You may choose to offer, and charge a fee for, acceptance of support, warranty, indemnity, or other work that is exclusively available under this License Agreement, BeOpen hereby grants Recipient a non-exclusive, worldwide, royalty-free patent license is required to grant broad permissions to the notice in Exhibit A.

Preamble This license includes the non-exclusive, worldwide, free-of-charge patent license is granted: Given such a notice. Let op dan leggen we het uit. Bezoekers van websites krijgen te maken met cookies. Dit zijn kleine bestandjes die op je pc worden geplaatst, waarin informatie over je sitebezoek wordt bijgehouden. Ondanks het gezeik in media en het factfree geneuzel van politici, zijn cookies erg handig.

Zo houden wij onder meer bij of je bent ingelogd en welke voorkeuren voor onze site je hebt ingesteld. Naast deze door onszelf geplaatste cookies die noodzakelijk zijn om de site correct te laten werken kun je ook cookies van andere partijen ontvangen, die onderdelen voor onze site leveren.

Cookies kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden om een bepaalde advertentie maar één keer te tonen. Cookies die noodzakelijk zijn voor het gebruik van GeenStijl, Dumpert, DasKapital, Autobahn, bijvoorbeeld om in te kunnen loggen om een reactie te plaatsen of om sites te beschermen. Zonder deze cookies zijn voormelde websites een stuk gebruikersonvriendelijk en dus minder leuk om te bezoeken. Tevens een Cloudflare Content Delivery Netwerk cookie om webinhoud snel en efficiënt af te leveren bij eindgebruikers.

Dat zeiden we dus al. Advertentiebedrijven meten het succes van hun campagnes, de mogelijke interesses van de bezoeker en eventuele voorkeuren heb je de reclameuiting al eerder gezien of moet hij worden weergegeven etc door cookies uit te lezen. Een behoorlijk confronterend artikel van Jezebel legt de vinger op de zere plek: Je hebt er waarschijnlijk toen nooit echt moeite voor hoeven doen. Door je school of universiteit werd je automatisch omringd door een heleboel mensen die in grote lijnen op elkaar leken.

Vriendschappen ontstonden daaruit vaak bijna als vanzelf. Dat geldt overigens niet voor iedereen. Vooral mensen die gepest zijn weten wat ik bedoel. Maar dat neemt niet weg dat je nu wel goede vriendschappen kun opbouwen. Een voor de hand liggende reden waarom het nu niet lukt, is tijdgebrek: Waar haal je eenvoudigweg de tijd vandaan om in een nieuwe vriendschap te investeren met je drukke baan, een jong gezin, of al je andere verantwoordelijkheden?

Probeer daar maar eens je nieuwe BFF in te leren kennen. Uiteraard hoef je je er niet bij neer te leggen. Je kunt ook nu goede vrienden vinden, het werkt alleen anders dan vroeger denk bijvoorbeeld aan vriendinnenonline. Na wat researchen vond ik de volgende tips: Het ligt niet aan jou: Maar als er zich een mogelijke vriendschap aandient, zie dat dan als solliciteren naar een baan waarvoor je overduidelijk gekwalificeerd bent, en waarvan het je totaal niet uitmaakt of je hem krijgt of niet.

Je kunt gewoon helemaal eerlijk en jezelf zijn. En niet als een enge oude vriendenzoekende-stalker. Wil je een wijnmaatje om af en toe iets mee te drinken, of iemand waaraan je je ziel en zaligheid wilt kunnen toevertrouwen? Uiteraard sluit het een het ander niet uit, maar wellicht vind je de laatste eerder op plekken waar mensen meer open staan voor diepere connecties; zoals bij cursussen gericht op persoonlijke groei of yogalessen.

Want net als bij daten kan het voorkomen dat je na twee keer te hebben afgesproken gewoon toch niet klikt samen. Of dat je een grap vertelt die helemaal verkeerd begrepen wordt. Laat het los als het niet werkt, of steek er toch nog wat moeite in als je dat graag wilt.